Burgemeester in badjas

Vandaag, 13 juli 2017, hoorde ik dat Leonard den  Beer Poortugael na een kort ziekbed is gestorven. In 2011 heb ik hem onderstaand verhaal voorgelegd. Ik wilde graag zijn biografie schrijven. Hij heeft het gelezen. Zou er over denken. Kwam er vaak op terug. Het leek hem wel leuk. Maar zoals dat gaat: druk. Beiden. Op ons eigen manier.

Het is er nooit van gekomen. Dat ik stopte met roken heeft ook vast niet geholpen.

Dag Leonard. Je zal gemist worden.

 

Veere, juni 2011.

Ik heb zojuist mijn zaterdagse Volkskrant en slof Marlboro gehaald, en net als elke week, ben ik in het winkeltje een Veerenaar tegen gekomen. Weer een ander dan ik daar normaal tegenkom. Ik moet er om lachen. ‘Handigerd’, denk ik, met een dikke glimlach.

Leonard klaagde graag en veel. Dat het bijna de moeite niet was om zijn winkel open te houden, zeker niet in de winter. Uit mijn gevoel het stadje Veere levend willen houden – en te voorkomen dat het het bewoonde openluchtmuseum wordt waar de gemiddelde toerist, die gewoon midden op de weg blijft lopen het ook voor aan ziet- en een idee dat ik, hoe klein ook, deze markante inwoner graag wil steunen, beloof ik hem dat ik voortaan wekelijks bij hem mijn krant en mijn sigaretten zal kopen, en sindsdien doe ik dat ook.

‘Handigerd’ heb ik sindsdien vaak gedacht. Handige Leonard, want ik ben echt niet de enige tegen wie hij zijn klaagzang heeft gehouden. Handigerd, omdat hij het voor elkaar gekregen heeft dat heel Veere bij hem zijn krant koopt.

Er zit bij mij geen regelmaat in het tijdstip dat ik mijn zaterdagse krant haal; de ene keer is het tien uur ’s ochtends, de volgende keer kom ik om vijf voor zes binnen lopen. Nooit ben ik er alleen, altijd is er ook een andere inwoner. Hij verkoopt meer kranten dan de Bruna? Als het drie, vier uur is, zit er vaak iemand op het stoeltje aan de andere kant van het bureau dat hij als toonbank, kassa, preekstoel en balie gebruikt. Leonard in zijn comfortabele leunstoel die ook draaien kan achter dat bureau, de bezoeker op een rechte keukenstoel ervoor. Soms met een biertje in de hand. Ik kan me zo voostellen dat Leonard dat nog ‘een pijpje’ noemt, dat soort taalgebruik hoort bij hem.

Als ik binnenkom, wordt dan het gesprek onderbroken. “Ik weet wie het is, ik heb er op gerekend” en met een tred die zijn jaren miststaat, gaat hij door het gordijntje naar zijn privévertrekken daarachter, om daar de voor mij apart gelegde Volkskrant en de slof Marlboro vandaan te pakken. Heeft de Volkskrant een actie, of ben ik onverwacht erg laat, dan plaagt hij me. Doet hij alsof hij mijn krant vergeten is apart te leggen. Ik speel het mee en doe aangenaam verrast als hij hem wel heeft “inclusief het magazine hoor, kijk je even of hij compleet is?”

Heel Veere komt bij Leonard. De vrouw die achter mij woont: ze is door hem al op de foto gezet: met hondje. De vrouw op de Kaai, vindt na een paar weken vakantie een pakje van haar merk in de brievenbus, met een kaartje erbij: ‘Welkom Thuis’. De voormalige arts, na zijn pensionering in Veere gaan wonen: hij rookt al jaren niet meer maar haalt er zaterdag een krant. Zou bij hem, net als bij mij, die krant ook wel eens op maandag ongelezen bij het oud papier gaan, omdat er eigenlijk geen tijd was om hem te lezen? Ik heb dat wel eens, zeker in de zomer lonkt het water voor Veere harder dan de Volkskrant. Maar dat tegen Leonard zeggen, zeggen “nee, deze week geen krant want ik heb het druk vandaag en morgen”, dat dóe je niet. Die Middelburgers, wiens enige band met Veere is dat er een boot ligt, nemen hun bezoek mee naar Leonard. Koop daar maar een kaartje. Hou Leonard levend. Die Lichtflits heeft kruit nodig.

Burgemeester in Badjas. In de winter van 2010 had ik een aantal begrafenissen in Veere. Trieste begrafenissen, mensen die te jong waren weggevallen, minder trieste begrafenissen, mensen die een mooie leeftijd bereikt hadden. Ze hadden een ding gemeen, die ter aarde bestellingen. In alle gevallen was het Leonard die aan de groeve of bij de dienst van de gelegenheid gebruik maakte om nog wat te zeggen. Hij kende iedereen, iedereen kent hem, en ja, als ik ooit ga, hoop ik dat hij ook aan mijn graf staat, dat hij ook over mij met een simpele, maar zo mooi vertelde anekdote, een schets kan maken van wat mijn dagelijks leven was. Leonard als onbenoemde burgemeester van Veere, zorgt bij al zijn inwoners voor een laatste woord, zoals dat hoort. ‘Doet’ Leonard geen crematies? In Middelburg, bij het crematorium, heb ik hem laatst niet gezien. Dan moet ik toch maar onder de grond, mocht ik eerder gaan dan hij. Ik wil ook de Burgemeester van Veere bij mijn groeve. De hoogste ambtenaar van Veere zetelt tegenwoordig in Domburg, maar Veere heeft zijn eigen Burgemeester. Het zit in zijn genen.

Ik ben import. Ik ken Veere van vakanties, van bezoekjes met de boot, maar ik ben import. Ik ken meer import, en nu ik hier al weer een paar jaar woon ken ik ook Veerenaren. Het maakt niet uit: iedereen kent Leonard. Ik heb de verhalen gehoord over zijn vader, die Burgemeester mét ketting, die de onsterfelijke regels heeft geschreven: “een goede tip voor nu en later, benader Veere vanaf het water”. Het is dat Veere niet uitbreidt, anders had deze burgemeester wel al een plein gehad. Ik ken de verhalen van vroeger, veertig jaar geleden, over toen hij nog aan het Singeltje woonde en zijn Lichtflits in de Kolve had. De verhalen over klokken in waterputten en kaketrappen: ik was er niet bij maar heb ze gehoord. Ze roepen bij mannen van inmiddels middelbare leeftijd nog steeds een warme glimlach op.  Een glimlach bij een leuke herinnering, bij een fijne gedachte aan een soms wat wonderlijke maar altijd aardige man. Ik draal in zijn winkeltje en kijk naar de foto’s. Alles heeft hij gefotografeerd, en niets digitaal. Mocht hij ooit gaan, laat in Godsnaam niemand haast maken om het leeg te ruimen. Niets mag verloren gaan: Leonard heeft een mensenleven vastgelegd met een Polaroid.

Een Burgemeester in Badjas, want ook die badjas is Leonard. Van het vroege voorjaar tot het late najaar ging hij, in badjas, op de fiets, over de Kaai naar de buitensteiger. Zwemmen. Toen de Jachtclub in het najaar het presteerde daar een boot af te meren, exact daar waar hij eigenlijk te water wilde, kon de Voorzitter van die jachtclub met de najaarsledenvergadering onmiddellijk op vragen rekenen. En hij wist de belofte af te dwingen dat het niet nog een keer zou gebeuren. Iedereen mag een beetje lachen om die man in badjas op zijn fiets, maar als diezelfde man tijdens een toneelstuk zichzelf speelt en in diezelfde badjas op het bordes van het Stadhuis staat, en zijn tekst is als enige te verstaan voor álle toehoorders op die markt, wie lacht er dan uiteindelijk het hardst?

Geachte heer den Beer Poortugael, lieveLeonard, u fascineert me. Niet alleen is er een leven in Veere doorgebracht, u heeft het ook op de foto gezet. Mag ik deze zomer uw biografie schrijven? Daar een boek van maken? En dat boek ‘Burgemeester in Badjas’ noemen?

 

 

Experiment deel II

Week 21

 

Ik ben tweeëneenhalve week op weg in mijn experiment . (Huh? Week 21 min week 16 is toch geen 2,5? Jawel. Meivakantie en Hemelvaart… ) Het is tijd een tussenbalans op te maken als ik hier volgend schooljaar mee verder wil: regio Zuid is dit jaar de eerste in de vakantiespreiding en week  25 is de laatste reguliere lesweek.

Werkt het? Het is natuurlijk nog geen gedegen onderzoek, na zo’n korte tijd,  maar ik heb de neiging om ‘ja’ te zeggen.  Wat mij betreft wegen de ‘kosten’ absoluut af tegen de ‘baten’ en dat zal ik uitleggen.

 

Mijn meivakantie was geen echte vakantie; ik heb al mijn lessen nog een keer moeten voorbereiden. Ik ben een vrij traditionele docent die een stukje instructie af probeert te wisselen met zelfstandig werken, maar ik moet toegeven: er zijn vakken dat ik het blokuur frontaal lesgeef. Mijn zandloper, die een kwartier loopt, speelde dus al een cruciale rol in mijn lessen. Na dat kwartier gaf ik ze altijd al even tijd om op de mobiel te kijken of ze online nog een leven hadden; tijd die ik dan gebruikte om mijn absentenregistratie te doen, wat kopietjes te maken of mijn flesje te vullen – van zoveel praten krijg je dorst.

De indeling van de klas die ik nu gemaakt had, verdeelde de klas in twee groepen: zelfstandig werken achterin, focus op de docent in de carré. Voor veel van mijn lessen heb ik daarom een extra begrippenlijst gemaakt van de stof die ik zou behandelen: achterin mochten ze dat zelf opzoeken, voorin was het een leidraad voor de te maken aantekeningen. Dat was in de meivakantie nog een behoorlijke klus: ik geef dit blok 10 verschillende vakken. (Dat dat misschien absurd is, is een andere discussie.) Ook moest ik mijn planning strakker in elkaar zetten; als een leerling achterin vooruit wil werken, moet die leerling van te voren weten wat er volgende week op de planning staat. Ook dat was een klus. Er gaat dus behoorlijk wat (extra) tijd van de docent zitten in deze manier van lesgeven.

 

Die extra lesvoorbereiding had ook een voordeel. De focusgroep wist van te voren wat ze konden verwachten (ik hoorde ze eens zeggen ‘ze heeft de helft van haar begrippen al gehad, dus met een beetje mazzel moeten we die bus van vier uur wel kunnen halen’) en achterin waren er een aantal inderdaad aan het vooruitwerken. Overigens is er eentje die, als hij zo door gaat, over een week door de stof heen is, ik hoop maar dat hij nog even ziek wordt ofzo, anders moet ik daar ook nog iets op verzinnen.

 

Bij de meeste vakken liet ik het aan de leerling zelf waar ze gingen zitten. Wel eiste ik voorin de focus tijdens de zandloper-tijd. Telefoon weg, geen gezellig gedoe met de buren. Dat was even wennen voor sommigen, maar de ‘eerlijkheid’ daarvan, daar konden ze wel wat mee. Vooral ook omdat ik ze achterin inderdaad niet aansprak op telefoongebruik. Ook vertelde ik dat ik aantekende waar ze gingen zitten in mijn presentie-registratie. Steeds achterin? Prima, maar dan ook niet komen mauwen dat je het niet snapt.

 

Die vorm van ‘eigen verantwoordelijkheid’ zal niet elke puber aankunnen en als je met deze manier in het eerste blok zo zou beginnen zou ik achterin zitten alleen maar doen op basis van bewezen goede resultaten, maar voor nu werkte het. Een paar die het jaar misschien nog kunnen halen heb ik van achteren naar voren zien komen, en van de mensen die zich al niet meer inzetten omdat ze toch het jaar niet meer halen heb ik in de les geen last gehad.  De toetsperiode zal het leren, maar ik heb het idee dat er in de focusgroep veel meer leerrendement gehaald is.

 

Dat het lokaal ‘van mij’  was, had een leuk bij-effect. Niet alleen voor mij (ik kon zowel smartboard als whiteboards gebruiken; een optimale lessituatie, en ik hoefde niet elke twee uur mijn spullen te verplaatsen) maar doordat de leerlingen het lokaal ook als het mijne zagen, werd het geen rommel. De stoelen werden netjes aangeschoven; de rekenmachines gingen terug naar de tafel bij de deur en er bleef geen papier op de tafels liggen.

Een enkele les, waarin ze in vier groepen moesten werken, werden ook de carré tafels aan elkaar geschoven maar ‘zet even terug’ was genoeg om de eerdere opstelling weer te hebben. De verpakkingen aan het plafond werden met rust gelaten (‘als er ook maar 1 plafondplaat beschadigt moet ik ze er allemaal af halen he’) en de statafel achterin werd af en toe gebruikt als een kwebbelplek als er geen instructie was, bijna als een koffiehoekje. Kortom; een prima sfeer in de klas.

 

Wat mij betreft is het experiment gelukt. Ook van leerlingen hoor ik positieve geluiden, en een aantal collega’s is jaloers. Helemaal geen nadelen dan?

Jawel, een heel groot nadeel. Nu ik weet, of denk te weten, dat het werkt, wil ik dit breder trekken.

Meer lokalen zo inrichten. Of misschien zelfs een cluster aan lokalen; een open ruimte voor zelfstandig werken, dichte lokalen voor instructie en focus. Misschien een computerhoekje. De docentenwerkplekken erin betrekken. Idealiter naar modulair onderwijs – die paar die sneller door de stof gaan moet je kunnen belonen en de langzamere leerling kan je beter helpen.

Kortom; een ander beleid, geregel, overleg, projectplan, budget vragen, et cetera. Ik heb er geen tijd meer voor dit jaar, en dat vind ik een heel groot nadeel, nu ik weet dat het werkt…

 

 

 

 

Experiment

Week 16    

“Ze zitten alleen maar met hun telefoon te spelen!” “Het kost me zoveel moeite om ze bij les te houden!”

Zomaar twee uitroepen van docenten die je regelmatig in de docentkamer hoort. Maar ook in de gangen hoor je geluiden. “Die vent staat alleen maar te praten voor die klas…” en “het is zo saai”. Dat zijn dan leerlingen.

Als leerlingen bevraagd worden over wat zij als een prettige les ervaren, dan hoor je dingen als ‘afwisseling’  en ‘interactie’. Docenten hebben juist meer moeite met dat differentiëren: de lesstof moet er immers wel doorheen. De verdieping zoeken met de leerling die zijn best doet gaat niet: de leerling die meer hulp nodig heeft gaat daarvoor, en die wordt zelfs niet altijd goed bediend door storend gedrag van de leerling die op dat moment even de focus op de docent niet heeft.

 

De inrichting van een traditionele lesruimte is frontaal. Alle ogen gericht op die docent voor de klas, die met zijn smart- en whiteboard zijn of haar kennis probeert over te dragen op de leerling. Het is een klaslokaal; ingericht op klassikale lessen.

 

Een leerling die 8 lesuren per dag op school doorbrengt, zou dus ook 8 uur de focus op de docent voor de klas moeten hebben. Ga er maar aan staan… Een beetje afdelingsvergadering laat al zien dat het ons als docenten al niet eens lukt om 4 uur ‘bij de les’  te blijven.

Voor de leerling is dat klaslokaal niet alleen maar een plek om kennis te vergaren. Het is ook de plek waar het sociale leven (on- en offline) wordt onderhouden, de plek om te grappen en grollen, om te experimenteren en te vervelen. En toch is ons lokaal daar niet op ingericht. We vragen door de opstelling, of dat nou de klassieke treintjes of de U is, dat de leerling maar 1 ding doet: focus. Hoe reëel is dat? We leiden ze op als beginnend beroepsbeoefenaar. Geen bedrijf wat straks 8 uur focus van ze gaat vragen hoor…

 

Persoonlijk ben ik het al veel langer beu om als politie-agent of kleuterjuf op te moeten treden.  ‘You can lead a horse to water, but you can’t make it drink’ denk ik al regelmatig. Als ik wat vermoeider ben, word ik wel eens boos. ‘Ik doe verdorie alles voor ze, maak kahootjes, leg het zo helder mogelijk uit, maar ik kan ze toch moeilijk de hele dag lopen entertainen?!?’ Toen ik dat eens aan een klas voorlegde, kwam terug “ja mevrouw, u bent Jandino niet.”

 

Als we er nou eens vanuit gaan dat ze best wel willen leren. Maar niet constant hetzelfde nodig hebben…? De ene leerling is nou eenmaal goed in BE en heeft de uitleg van de som op het bord niet nodig. De ander kan nu echt even de concentratie voor Recht niet opbrengen, en wil gewoon zijn spelletje uitspelen. De derde kan je stem niet hebben en leest het liever zelf in het boek. De vierde is dol op kahootjes. De vijfde weet allang dat hij van opleiding gaat veranderen en zit zijn tijd uit. Waarom zou ik mijn lessen, mijn lokaal, mezelf dan niet aanpassen aan al die verschillende vragen, in plaats van de leerling aan te passen aan wat IK wil; les geven?

 

Blok 4 heb ik de beschikking gekregen over een ‘eigen’ lokaal. Dat lokaal heb ik ingericht rekening houdend met de diverse groepen in de klas. Achterin twee keer een zesje: tegenover elkaar.  Middenachter een statafel: als ik een elevator pitch zo kan houden heeft dat al meer relatie met de praktijk dan wanneer dat voor de klas moet. Voorin, in een carré, de rest van de tafels; daar vraag ik focus. Het bureau van de juf naar de zijkant: ook ik heb in een klassituatie twee werkmethodes en –momenten: klassikaal lesgeven doe ik staand, individueel, of dat nou nakijken of met de leerling is, aan mijn bureau. Ik hoef niet steeds midvoor te zijn.

Bij de deur de randvoorwaarden. Een stapel papier, wat rekenmachines en pennen. En mijn zandloper: eerder gestelde randvoorwaarden voor mijn lessen hou ik. Als de deur dicht is, wacht je tot de zandloper is afgelopen, dat duurt maximaal een kwartier. Door het glas is het ding prima te zien.  Tot slot hang ik wat lege verpakkingen aan het plafond. Het vrolijkt de boel op, en als het niet hufterproof blijkt, is het in ieder geval geprobeerd.  Het hele inrichten heeft me een uurtje gekost. Inclusief een paar plaatjes op facebook, die de reactie “Jouw lesvoorbereiding zit er op, fijne vakantie!” opriep. Nee, dat is nog niet alles. Het vraagt andere werkvormen. Maar daar heb ik de meivakantie voor…

 

 

 

 

VerBijstering uit het veld…

(jaja, flauwe woordspeling maar te mooi om te laten liggen. Met Bussemaker kan je niks, als woordspeler…)

 

MBO nieuws: de scholen moeten beter gaan registreren als het gaat om verzuim.

 

Voor veel MBO instellingen was dit nieuws van november 2016 allang geen nieuws meer; in het kader van de  kwalificatieplicht, de boetes en premies op het laten ontstaan c.q. het laten verdwijnen van Voortijdig School Verlaten en de door de gemeentes aangescherpte beleid op jeugdwerkloosheid (een direct gevolg van de maatregelen van het overhevelen van de WW naar de Bijstand), zijn de meeste MBO instellingen in Nederland al jaren bezig met het noteren, volgen, begeleiden en bestraffen van alle jeugd die om welke reden dan ook buiten het schoolbootje dreigt te vallen.

 

Al net zo lang als we noteren vragen we ons af: “waarom?” Wat schieten we ermee op, om te noteren dat ze er niet zijn? We noteren, maar weten we de achterliggende reden? Doen wij iets fout, zijn onze lessen niet leuk genoeg? Is het mis gegaan in de voorlichting, heeft de leerling de verkeerde keuze gemaakt? Of is het omdat ergens anders steken zijn gevallen? Heeft jeugdzorg, de vooropleiding, de ouders, de vorige school, …, iets laten liggen? Of ontnemen we de leerling gewoon het recht te doen wat de leerling in dit geval graag wil; gewoon gaan werken? Ontnemen we de leerling het recht om een hele goede putjesschepper te worden, alleen omdat we als samenleving trotser worden op alleen mensen met minstens niveau 2 op zak? Ontnemen we de leerling het recht een paar jaar te lamballen en daarna weer aan de slag te gaan? Moeten we meer doen? Meer begeleiden? Meer hulptroepen in de school halen, zoals ambulant begeleiders, leerlingcoaches, ortho-pedagoogels? Naast de ambtenaren van RBL en de sociaal maatschappelijk hulpverleners die we al hebben? Wat doen we fout?

 

Ik weet het niet. Ik weet alleen mijn eigen frustratie als docent en mentor.

 

We willen LES geven. We zijn bij een school gaan werken omdat we Kennis willen overdragen. In dat proces willen we bijdragen aan de ontwikkeling van de jong volwassenen, daarom zijn we ook mentor. De ‘papa’ of ‘mama’ van de leerling op school. Soms heten we coach, naast dat docentschap. Vooral bij de sportopleidingen doet die term het goed. Maar dat ZIJN we niet, het is een rol. Een rol van de docent LB. We willen primair doceren. LB, Les Boer. Daarom heten we ook docenten. Geen maatschappelijk werker, niet jeugdzorger, niet schuldhulpverlener, niet een van welke ondersteunende functie dan ook. 

 

En nu moeten we beter gaan registreren. Ik lees het nieuws op Twitter als ik wacht op een leerling voor een mentorgesprekje; hij is medio november totaal precies 6 dagen wel de hele dag op school geweest. Ik ken het ventje. Wiedes. Ik ben zijn mentor, al even. Hij verkoopt vuurwerk. Mist soms dus les, want handel, of detentie. Ik kijk naar de drie kleuren lijst voor me. Rood- ongeoorloofd, oranje – geoorloofd (hij denkt soms aan een briefje voor de ortho of meldt zich ziek) en groen- aanwezig. Bizar weinig.

 

“Het ligt niet aan de registratie” denk ik, twitter ik.

 

Volgend lesuur mag ik weer Les Geven. 

 

 

 

 

 

ethiek

In het blog van onze CVB-er lees ik dat hij zich afvraagt hoe we met ethische vraagstukken omgaan. Een pak papier mee naar huis nemen als docent, omdat je thuis nog wat wil printen voor je leerlingen, mag en kan dat?

Ik lees het als een soort pauzenummertje in de hectische laatste weken. Ik kom net uit een vergadering over de teamtaken, en moet nog een studiewijzer schrijven. Om mijn (flex)werkplek heen wordt druk opgeruimd: er wordt een kantoorruimte omgetoverd tot klaslokaal deze zomer, en alle kasten moeten leeg. Van de opbrengst van het oud papier kunnen we vermoedelijk met zijn allen uit eten, (maar dat mag niet van de ethiekpolitie, dus het gaat op de grote hoop) maar er komen ook veel andere dingen uit de kasten. Insteekhoesjes. Toetspapier. Mappen, al dan niet gevuld met nog meer insteekhoesjes. Oude spullen: floppy discs; lesmateriaal uit vervlogen tijden. Weggevertjes van voorbije open dagen. Hier en daar staan er zelfs nog oude logo’s op. Nog meer insteekhoesjes. En spúllen. Lege verpakkingen die gebruikt worden voor lessen; ook dit hoort bij de P van Product. Twee paar oude gympen: ook lesmateriaal. Welke zijn de echte en welke de neppers? Een monopolyspel; daar is ooit boekhouden mee uitgelegd.

Persoonlijke zaken: een paar geluidsboxjes, een tas, een lampje met kerstlichtjes, een pot waar drop in heeft gezeten (heel even maar), bolletjes wol, gebruikt voor mentorlessen, inpakpapier van de cursus inpakken.

In het bakje voor me liggen de 22 pennen aan een koordje klaar die ik als eindejaarcadeautje mee ga geven aan mijn leerlingen. Volgens een bekende internetmeme ga je dood als je je pen verliest; het is mijn grapje voor mijn mentorklasje. Gisteren gehaald bij de Action. Voor dat soort dingen is geen budget, dus ik koop dat zelf maar.

Ik vraag me af hoe de CVB-er daar over denkt….

 

 

 

 

 

Zwaar leven

Op Facebook lees ik verontwaardiging over het instellen van een 'bijdrage' voor marifoongebruik. "Het watersportertje pesten is weer begonnen" is de tendens. Een van de Facebookers reageert met  een soort 'kom op jongens, 31 euro, waar heb je het over'. En refereert aan een oude column in Zeilen van me. Eentje waarin ik stel dat we met zijn allen niet zo verwend moeten zijn.

In dit geval: we kunnen de sluis ook bellen? Of gewoon geduldig wachten? Maar nee, we willen die marifoon. En dat is dus straks niet meer gratis.

 

Stop met zeuren. Ga zeilen.

 

(en dit is de column waar Joke Dekkers naar verwees:)

 

Pauze

“De gemeente gaat zich beperken tot zijn kerntaken. Dat is wat we als antwoord kregen toen we nieuwe voorzieningen voor de haven vroegen. Het is een wat omfloerste manier om te zeggen dat we het zelf moeten regelen, maar het is nu eenmaal zo. Dus als we elektriciens in ons ledenbestand hebben, dan het verzoek je te melden.”

“Meneer de voorzitter, dat kan de gemeente toch niet maken? De haven is toch van hen, dan moeten zij het toch regelen? Dat ze ons nou gewoon laten zitten, dat kan toch niet? En dat u het , als club, zomaar accepteert, dat kan toch ook niet?”

De voorzitter zucht. Hij had gehoopt dit onderdeel van de vergadering als een soort hamerstuk weg te kunnen werken. Helaas…

De vergadering was aan het morren. Gemompel met hier een en daar een uitschieter, in de vorm van verontwaardiging, dat was te horen aan de toonhoogte en de woordkeuze. Hoe moest hij hier nu weer mee omgaan? Hij pakte zijn hamertje en tikte een paar keer. Ze werden stil.

“De gemeente heeft aangegeven dat ze het pachtcontract willen handhaven, maar de uitvoering daarvan willen aanscherpen. In de door ons gevraagde toelichting, die we mondeling hebben gekregen, bleek dat de gemeente voornemens is het contract naar de letter op te gaan volgen, en niet meer naar de geest, zoals we gewend waren. Praktisch betekent dat voor ons: de bak, die wij de haven noemen, is van de gemeente. De kadewanden, de randen van de bak, zijn voor dus voor hen. Wat wij als pachter in die bak doen, moeten we zelf weten. En dus ook zelf onderhouden. Willen wij nieuwe steigers, of nieuwe elektra zuilen, dan moeten we dat zelf regelen. Want de gemeente ziet het niet meer als haar kerntaak.”

“Maar we pachten toch? We betàlen! Dan mag de gemeente toch wat terugdoen?”

“De gemeente heeft het jaren wèl gedaan! Waarom opeens dan niet meer?”

“Meneer de voorzitter, als we minder krijgen voor ons geld, gaat de pacht dan ook naar beneden?”

Er kwam een spervuur van vragen op hem af. De meningen van de vergadering rolden over hem heen. De een met nog meer verontwaardiging dan de ander.

Hij dacht aan zijn moeder, die vanaf 1 januari niet langer elke dag een dame had die haar haar steunkousen hielp aan te trekken, maar nog maar drie keer per week. Zijn vrouw reed nu die andere dagen de tien kilometer naar het volgende dorp om haar te helpen. Aan haar buurvrouw, die afscheid had moeten nemen van haar ‘werkstertje’, die eerst elke week kwam voor een paar tientjes per maand en die nu twintig euro per uur moest kosten. Aan zijn eigen buurjongen, die niet meer met het busje naar de dagopvang kon, maar nu dagelijks gebracht moest worden door zijn ouders, die dat op hun werk gelukkig hadden kunnen regelen.

Hij zuchtte. Pakte zijn hamer.

“Dames en heren, het IS zo. Pauze.”

En nu een borrel, dacht hij.

 

 

 

 

Tandvlees

 

Opeens begon het, op maandagmiddag. Kiespijn. En niet een beetje, gewoon echt serieus.

Net als de meeste mensen van mijn leeftijd is het gebit een heikel punt. Onze ouders lieten begin veertig gewoon alles trekken en namen fijn een kunstgebit, maar wij zijn moderne veertigers en we willen dus zo lang mogelijk onze eigen tanden en kiezen houden. Dus we poetsen met whitening tandpasta (want de andere optie; stoppen met thee, koffie, roken en drinken is eigenlijk geen optie, toch? ) en als we er aan denken volgen we het advies van de mondhygiëniste op en flossen, stoken en spoelen we. Ik geloof niet dat mijn ouders ooit bij een mondhygiëniste geweest zijn en mijn opa en oma zeker niet, maar elke veertiger heeft een narrig stemmetje in zijn of haar achterhoofd; die afspraak is echt long overdue, dat moet nu echt even…

Wij zijn echter ook de generatie van de schooltandarts. Die omgebouwde bus die het schoolplein op kwam rijden. Die beul die daarin zat. Die nog nooit van verdoving gehoord had en complete klassen moest doen tussen half negen en half twaalf. Tot mijn twaalfde heb ik blijkbaar drie gaatjes gecreëerd in mijn kiezen, alle drie met donkergrijze amalgaan gevuld door de schooltandarts. Wat was ik bang van die man. Mijn beide pubers snoepen echt niet minder dan ik toen deed, en poetsen ook niet beter, maar hebben beiden nooit ook maar een gaatje gehad. Ik denk wel eens dat die schooltandarts mijn gaatjes verzonnen heeft. Dat hij af mocht rekenen per gaatje. Want laten we wel zijn: drie gaatjes tussen zes en twaalf, en dan pas weer een met 37? Het riekt.

Bij de mondhygiëniste voel ik echter hetzelfde als bij de schooltandarts. Ik heb niet goed gepoetst. Ik krijg straf. Terwijl ik echt twee keer per dag poets. Ok, niet elke dag flos. Een paar keer per week. En ragen ook niet elke dag. Of stoken; af en toe. Maar het is toch goed? Wit?

“Je hebt parodontitis” zei ze de laatste keer. Meer dan een half jaar geleden. Jaja, long overdue.

Optrekkend tandvlees. Dat gebeurt na je veertigste. Alles gaat hangen, behalve je tandvlees, dat trekt op. Met een zorgelijk gezicht liet ze me zien dat er ruimte zit tussen tandvlees en wortel. Dat mijn wortels nog maar een paar millimeter in mijn kaakbeen zitten. Wat ik er aan kon doen? Nou, niks. Tandvlees trek je blijkbaar niet zomaar meer naar beneden. Dus schoon houden, zorgen dat er geen restjes tussen dat tandvlees en de wortels kan gaan zitten, wat dan weer gaat rotten en de boel van binnenuit verstiert.

Dus ik heb alle hulpmiddelen in huis. Die ik vervolgens volkomen negeer. Twee keer per dag poetsen, dat moet maar genoeg zijn. Afgelopen jaar beet ik in een broodje kroket en brak ik een kies. Dat was de laatste almagaanvulling die mijn tandarts, met veel verdoving en zalvende woorden, heeft vervangen voor een witte vulling. Na de schooltandarts heb ik een bange mensen tandarts gekozen. Wat een schat, die man. Indien nodig verdooft hij je al in de wachtkamer.

Maar maandagmiddag begon het opeens. Kiespijn. Alsof er wat klem zit tussen kies en kaakbeen. Kauwen doet pijn. Maar ik weet inmiddels ook dat het ten dele psychosomatisch is. Ik begin de uitdrukking ‘op je tandvlees lopen’ steeds beter te begrijpen. Als ik moe ben, het beu ben, slaap tekort heb, dan merk ik dat aan mijn gebit. Omdat ik mijn gebit dan ook verwaarloos: dan ga ik ook wel eens naar bed zonder te poetsen, of pak ik ’s ochtends niet de volle vijf minuten poetsen en raffel het af. De Tandenfee straft onmiddellijk. Jij niet goed voor jezelf zorgen? Poef! Pijn!

Het is de laatste week. Nog even. Heel even. Het is nu dagen tellen. Nog drie vergaderingen, twee sub overleggen, een diplomering, een teamuitje. En dan is het klaar voor dit jaar. Klaar. Zes weken zomervakantie. Zes weken. Zes weken waarin ik elke dag zal ragen, flossen, drie keer per dag poetsen zelfs, ok? Tandenfee? Ok? Hebben we een deal? Mag die kiespijn nu weg?

 

 

 

 

SM - meesteres

 

De afgelopen maanden heb ik een opleiding gevolgd: nationaal (social) media coach. Om mijn collega’s op de hoogte te houden stuurde ik wekelijks een verslagje. ‘Kedeng kedeng berichten’ noemde iemand ze, want ik schreef ze in de trein. Want alles wat ‘lekker centraal in het land’ georganiseerd wordt, betekent voor een Zeeuw dik twee uur reizen…

In het onderwijs loopt je mailbox altijd belachelijk snel vol. Nieuwsbrieven, mails van leerlingen, collega’s en ouders, en alles gaat in dertigvoud in cc, want niemand mag iets missen. Als je dan met je verslagje nog een beetje op wil vallen, en gelezen wil worden (en diep in mij huist een schrijfster, en schrijfsters willen gelezen worden), dan moet je zorgen voor pakkende titels. Aanklikken is de eerste stap naar verder lezen, dus ik had een uitdaging.

Dus week 1 was de onderwerpregel ‘SM’. Even checken hoe dirty de minds inderdaad zijn op de donderdagochtend.  En dan gortdroog uit gaan leggen wat een media coach nou precies is, kan en kent. Zoete wraak.

Week 2 was het opeens, in het vroege voorjaar, onverwacht een paar dagen mooi weer. ‘Gekleurd’ was dus de titel, en daarin riep ik onder andere iedereen op om eens te kijken naar het nieuws door andere ogen. Het is echt bizar hoe anders een zender als Russia Today naar het wereldnieuws kijkt.  

Week 3 begon met een citaat. Over de jeugd van tegenwoordig.

 

‘De jeugd houdt tegenwoordig van luxe.

Ze heeft slechte manieren,

veracht alle gezag,

heeft geen respect,

en praat als ze zou moeten werken.’

Ik zag mensen al instemmend knikken achter hun laptop. Het is me wat, met die WIFI generatie waaraan we les moeten geven… Altijd online, in zichzelf, of beter, in hun device, gekeerd, waarmee ze ook nog eens duizend keer sneller en handiger zijn dan wij, poepoe…  Dat het citaat van Socrates was, die leefde van  469 tot 399 voor Christus, die hadden ze waarschijnlijk niet aan zien komen.

Week 4 was mijn inspiratie even op. Misschien hielp het ook dat het op school meivakantie was, maar in de opleiding niet?  Plus dat ons, als professionals werd uitgelegd dat wij niet de experts zijn. Eigenlijk moeten we aan de jongeren vragen: leg ons eens uit…? ‘Leg dat maar eens uit’ was dus de titel. Want ik ging die keer met meer vragen dan antwoorden weg uit Utrecht.

Week 5 was weer vertrouwd terrein.  Money makes the web go round; over commercie op het internet. Tja, als docent marketing en ondernemen hoorde ik niet zoveel nieuws.  “If you are not paying, you are the merchandise”, dat wist ik al. Want hoe kan een Feestboek anders bestaan?

‘Ouderavond’ was de titel de zesde week. Haha, ik zag ze schrikken. Een extra ouderavond? Natuurlijk was dat niet het geval. Wel ging het over hoe je ouders betrekt bij het net, en bij de activiteiten van hun kinderen op dat net. De week erna was ik op vertrouwd terrein, want MMORPG is hier in huis dagelijkse kost. Massive Multiplayer Online Role Playing Games; mijn puber doet niet anders.  En nee, ik vind dat niet erg. Ik vraag gewoon aan tafel eerst hoe het op school was, en daarna hoe het op het internet was. En ja hoor, hij leest ook, maakt u zich niet ongerust.

‘Back to the future’ was natuurlijk een mooie titel voor het blog over de futuroloog, en ontaarde in een discussie wanneer Marty McFly nou precies de toekomst ontmoette. Was dat vorig jaar, of is het dit jaar pas? (PAS????!!!??? ) Een heerlijke bijeenkomst met alleen maar vragen en fantasie: welke banen verdwijnen? Welke ontstaan? Geld of de bitcoin? Robotisering? De twee-urige werkweek? Alles kan, dat dacht George Orwell ook al toen hij 1984 schreef. 1984: toen was ik 13… Waar is mijn 'toekomst' gebleven?

De laatste inhoudelijke bijeenkomst ging over transmedia storytelling. Een erg ingewikkelde term voor het afstemmen van je communicatie via alle kanalen die je maar kan verzinnen, en over hoe je allerlei partijen kan verleiden tot het betrokken zijn bij jou als organisatie. Wat doet je vader? Was de titel, want denk eens aan het potentieel aan gastsprekers die we in huis hebben? En mijn teamleider weet nu ook dat mijn vader loodgieter was, want zo’n vraag komt dus meteen bij je terug, daar kan je op wachten…

Zes weken geleden heb ik het te schrijven beleidsstuk ingeleverd en een maand geleden was het examen.   Een lamme hand, want het is allemaal schrijfwerk, drie uur lang, maar blijkbaar goed, want ik hoorde vandaag dat ik mezelf nu Nationaal Media Coach mag noemen. Hoewel… een collega reageerde met ‘oh, dus je bent nu SM-meesteres?’ Ehmm…

 

 

 

 

inspectie

(Ik ben momenteel met twee boeken bezig. De een heeft als werktitel 'de oorlogsjaren' en nee, ik ben nog geen vijf jaar bezig, dus ik heb nog even. Toch? De ander heeft als werktitel '13 weken vakantie per jaar' en gaat over het (mijn) leven in onderwijsland. Dit schreef ik vandaag, vrijdag 27-3-2015)

 

Week 14 – Inspectie

 

‘De inspectie van het onderwijs’. In onderwijsland kortweg ‘de inspectie’ genoemd en ik heb een aantal collega’s die in dienst hebben gezeten en die een treffende vergelijking kunnen maken met een feodale korpscommandant die met een witte handschoen over de bovenkanten van kasten en over plinten heen ging om te kijken of er nog ergens stof lag. Kortom: ‘de inspectie’ op bezoek; het is enige reden tot stress.

In mijn eerdere leven heb ik ook te maken gehad met inspecties en dan wist je: tijd om je terrein te vegen, je vuilnisbakken te legen en je net wat beter voor te doen dan je in werkelijkheid bent. Dus opruimen die voorraadkast want je weet nooit of die open gemaakt gaat worden. Net zoals we allemaal een beetje nerveus worden als we een ‘fuik’ van de politie zien staan; ook al hebben we niets gedronken en zijn onze eigendomspapieren en rijbewijs heus in orde: controle zorgt voor stress. Hoe zeker je ook bent van je zaak: het blijft een beetje of je schoonmoeder komt eten. Dat is een menselijke reactie en er is ook niks mis mee. Maar…

We hadden deze week de inspectie op bezoek. In tegenstelling tot een politiefuik kondigt de inspectie haar bezoek aan, en kan je je er dus op voorbereiden. Maar ja, wat moet je voorbereiden? Gaan ze vragen naar je rijbewijs (in mijn tas, nee, geen tas gewisseld deze week, dus het ligt niet per ongeluk thuis, in die andere tas), naar je autopapieren (in het dashboardkastje, jahaaa, ik weet dat dat niet verstandig is, maar ik wil een handtas, geen big shopper), of gaan ze controleren op dingen waar je zelf ook geen verstand van hebt? Bandenspanning? Oliepeil? Katalysatorwaarden? (Wat? Katalysatorwaarden. Ja, dat doen ze soms. Ik weet ook niet wat het is. Maar de boete is fors.)

Deze inspectie zou eerst een les komen bezoeken, daarna praten met leerlingen en docenten, (los van elkaar, heel eng, wat gaan die kabouters zeggen?) daarna met allerlei functionarissen, en aan het einde van de dag zouden ze ons hun eerste indruk van hun salomonsoordeel al kunnen geven. Ok. Dat kan…

Die les bezoeken: ze hadden bedacht dat ze dat het eerste uur zouden doen. Een uur dat de betreffende klas normaal geen les heeft! Maar een roosterwijziging er tegen aan gegooid, het achtste naar het eerste en we zijn er klaar voor. Nu maar hopen dat de klas het ook ziet. En welke les hebben ze dan?

Marketing. Ik was de klos. Ze zouden in mijn les komen. Ik ga nu niet liegen en zeggen dat ik al mijn lessen 100% voorbereid. Dat deed ik toen ik net begon als docent, toen stond ik voor de spiegel mijn les op te nemen met een timer en raakte ik in paniek als ik voor een les van 50 minuten maar 30 minuten tekst bleek te hebben. Dat is voorbij; inmiddels weet ik dat ik op interactie van de klas kan rekenen, dat 30 minuten dus heel gemakkelijk naar 50 kunnen groeien en dat niet in elke 50 minuten verschillende werkvormen naar boven kunnen komen.  Soms heb ik iets wat frontaal moet- in mijn ogen dan- en soms kunnen we met samenwerken meer bereiken. Soms is een ‘tooltje’ waarmee je een les interactief maakt nuttig (met een ‘device’; oftewel; ze mogen met hun telefoon spelen), soms ook niet. Soms zijn mijn lessen leuk, en soms saai. Het is net het echte leven?

Deze les stonden de leerlingen om te beginnen voor het verkeerde lokaal. Tja, roosterwijziging. Ze waren er, dat vond ik al een plus, maar dat werd niet meegerekend. ‘De inspectie’ merkte (terecht) op dat niet de hele onderwijstijd benut werd. Gee. Ik ‘activeerde de voorkennis’ door te zeggen waar we het de vorige keer over gehad hadden, en ik vroeg naar het huiswerk. Ze moesten iets meenemen wat betrekking had op een prijs die ze verbaasde. Een leerling kwam met een bonnetje van een aangetekende brief (“waarom moet het zo duur zijn als de postbode aan moet bellen?”) een ander met een pakje kauwgum waar hij meer dan twee euro voor had betaald. Kortom; ze waren echt zo zoet als suiker. Wat een voorbeeldige leerlingen. Wakker EN meedoen. Heerlijk. De enkeling die te laat kwam begroette ik bij naam (“Goedemorgen Klaas, kom binnen, fijn dat je er ook bent”) maar omdat het geen ‘lastig gedrag’ was dat er af en toe eentje te laat kwam besteedde ik er verder geen aandacht aan. Ze kwamen te laat, maar gingen zitten en deden mee. Niet lastig, geen aandacht aan besteden. Dat was een andere cursus. Later bleek dat ‘de inspectie’ hierover gevallen was. Tsss.

Na het bonnetje van de aangetekende brief, de kauwgum en het rekenmachientje van negenentachtig cent (“hoe kan het?- hele kleine vingertjes”) wilde ik de voorbeelden al afronden toen er nog een artikel was wat verbaasde over prijs. Tim, altijd op het randje zoekend naar grappen waar hij wel en waar hij niet mee weg komt, hield provocerend een condoom omhoog. “Mevrouw, hoe kan het dat Durex echt vijf keer zo duur is als het eigen merk van Kruidvat?”

Het is nog geen negen uur ’s ochtends en we hebben het over condooms. Nog gedetailleerder: het is nog geen negen uur ’s ochtends, DE INSPECTIE ZIT BIJ DE LES en we hebben het over condooms. Ik kreeg het een beetje warm. Dit had op geen enkele manier in mijn voorbereiding gezeten?  De vraag van Tim roept vervolgens een vervolgvraag op; waarom zitten condooms niet in de zorgverzekering en de pil wel? (Ik weet het niet.) Maar de discussie die volgt vind ik hilarisch. Dingen als ‘keuzes maken’ en ‘baas in eigen buik’ komen voorbij. Argumenten als ‘een soa krijg je voor de lol, een zwangerschap niet’, en een welgemeend ‘het is niet echt NODIG he, een condoom’. Als een derde leerling vervolgens met een uitgestreken smoel vertelt dat je, indien je wisselt van zorgverzekering, je gratis zoveel condooms kan krijgen als je nodig denkt te hebben, en een volgende daar weer op reageert met ‘je gaat toch niet van zorgverzekering wisselen omdat je goedkoop wil neuken?!?’, dan heb ik het niet meer. Het is nog geen negen uur, er zitten twee bloedserieuze dames van ‘de inspectie’ bij me in de klas; het onderwerp is Durex, en ik denk alleen maar 'wat denken die dames' en ik kan niet meer stoppen met lachen. Ik moet even het lokaal uit want de tranen in mijn ogen en de snot in mijn neus: dat past niet in mijn vest en een zakdoekje zit niet in mijn tas.  Ik moet even naar de wc.

“Gebeurt dat vaker?” schijnt ‘de inspectie’ te hebben gevraagd terwijl ik, de tranen van het lachen over mijn wangen rollend, even weg liep.

Beste politie, als u mij aanhoudt: ja, ik HEB een rijbewijs, mijn autopapieren ZIJN in orde, en ik weet niet wat mijn katalysator doet, maar de garage zegt dat het goed zit. Ik lach u niet uit. Ik denk aan Durex.

 

 

 

staken

 

 

Het is 13 november, het sinterklaasjournaal is al weer twee dagen bezig en ik heb me nog niet laten verleiden tot een zwarte-pieten-discussie. Het past op geen enkele manier binnen mijn lessen en dat vind ik tegelijkertijd jammer en goed. Jammer omdat het een stuk denken, leren denken, argumenteren, luisteren en reageren is wat ik best eens met mijn klasje zou willen oefenen.

Goed omdat ik zelf nogal een mening heb in deze. Dus: het is jammer en goed. Vooral jammer. Bummer.

 

Het is ook 13 november en morgen wordt er gestaakt. Tegen Jet, en ik neem het verre van persoonlijk. “You ain’t seen nothing …Jet” is in deze geen spelfout maar de slogan van een heus studentenprotest tegen het (al aangenomen) wetsvoorstel om de basisbeurs om te zetten in een lening (‘studievoorschot’) voor alle HBO-ers vanaf komend schooljaar.

 

Deetman. Ritzen. Hermans. Van der Hoeven. Plasterk. Van Bijsterveld.

 

Over Deetman zei Youp van ’t Hek ooit: “als iemand je Deetman noemt, dan mag je naar de rechter. Wegens belediging. Erger kan je iemand niet treffen dan met ‘wat ben jij een Deetman zeg’.

 

Ritzen. OV ritzen. ‘Ritzel jij dat even’, zeiden we toen. Wie heeft toen dat ei op hem gegooid? Die jongen verdient alsnog een standbeeld.

Hermans: die zat er zeker kort want ik heb hem niet onthouden. Of hij was er net in die paar jaar dat ik zelf niks met onderwijs te maken had. Ergens tussen mijn eigen afstuderen en de baan in het onderwijs. Kort dus.

 

Van der Hoeven, ach gut, Maria. Ze bedoelde het heus goed, maar er kwam niks van. Dus moest de bezem van Plasterk komen. Die zijn hoed nog eens recht zette en ook niks deed. Dus daarna daadkracht: Marja. Verbijsterveld noemde ik haar, want haar visie op onderwijs liet velen meer dan verbijsterd achter. En nu dus Jet. Bussemaker. Die vindt dat studenten ‘best wel’ mogen bijdragen aan hun eigen studie.

 

Ik ga geen pleidooi houden voor of tegen het leenstelsel. Of, want dat is het, als je de studenten raakt, indirect ook: over het hele stelsel van sociale zekerheid, sociaal vangnet, solidariteit. Ik ga mezelf er niet toe verleiden want ik weet van mezelf dat ik op kan treden als advocaat van beide duivels. Zo ben ik opgevoed. Hoor en wederhoor, rechten en plichten.  

 

Morgen wordt er gestaakt. Er is een tweede klas die al een week geleden via de mail aan de mentor heeft gevraagd hoe de school om zal gaan met afwezigheid wegens staken. Die de individuele docenten heeft gevraagd wat er gedaan wordt met schriftelijke overhoringen die dag – die ze dus missen, en die wel meetellen. Die zelfs voorzichtig geopperd heeft of onze MBO instelling (Met Veel Leerlingen Die Door Willen Naar HBO) niet een busje in kan zetten.

 

Er zijn diverse eerste klassen die in de lift wat gehoord hebben en die dachten: ‘he, een mogelijkheid tot een vrije dag!’ Leerlingen waarvan ik het verlofbriefje met als reden ‘staken’ getekend heb. Omdat ik geloof in een maatschappij waarin je het recht hebt om voor je mening op te komen. Het is niet aan mij jouw redenen in twijfel te trekken. Ook al twijfel ik als je invult dat je gaat ‘staken voor onderwijs’: het is niet aan mij om een oordeel te vellen. Oordelen doe ik al vaak genoeg: eens per acht weken, met een toets, dan ben ik rechter. Niet als je wilt staken.  Dat bespreek je thuis, die mening vorm je in de groep met je gelijken, die norm leg je jezelf op, aan de hand van de waarden die je van thuis hebt mee gekregen; door gesprekken aan tafel, door het kijken van nieuws, lidmaatschap van bonden en bondjes, doordat je Loesje volgt op Twitter of JOB op Instagram. Jouw normen, jouw waarden, en die zijn van jou. Niet van mij, ik mag je de mijne niet opleggen of zelfs maar proberen ze te beïnvloeden. Dat is niet aan mij. JIJ, als 16-plusser, hebt een aantal rechten. Het recht op onderwijs. Vrijheid van meningsuiting. En nog zo wat. Ik mag er van uit gaan dat je daar mee om kan gaan?

 

Ik ga ze het recht tot staken niet ontzeggen. Ik hoop wel dat ze onze democratie, met alle rechten, en plichten, waarderen. Dat is aan de opvoeding, om dat moreel besef mee te geven. IK geef morgen gewoon les. Ja, ook aan twee leerlingen. Ik heb daarvoor ooit gestaakt: op een recht op goed onderwijs. Tegen Deetman, Ritzen, of weet ik veel wie. Tegen afbraak van onderwijs. Ik had toen dat recht, en ik heb toen dat recht gebruikt. Best imposant, dat Malieveld.

 

Jongens, meisjes: misbruik je rechten niet. Gebruik ze. Dat is je recht. Misbruik wordt gestraft. In dit geval: in de volgende toets. Die gaat, geheel volgens lesplanning, over normen en waarden. Toeval bestaat niet…

 

 

 

 

 

Appje

Heel, heel soms zeggen ze bij Zeilen: Jet, doe maar niet, die column. Om hen moverende redenen die ik dan begrijp, en dan schrijf ik een ander. Dit is zo'n 'afgekeurd' exemplaar...

 

“Een vrouw en een kip, is de pest voor je schip.”

 

“Pardon? Wat zit jou dwars?”

 

“Jij. Nou ja, jullie. Niet jij per se, maar vrouwen. In het algemeen.”

 

“Mijn ervaring is dat een dergelijke uitspraak over een soort meestal ontstaat vanuit ongenoegen over één exemplaar van die soort. Dus leg uit, met welke dame heb je nou weer ruzie gemaakt?”

 

“Ik maak nooit ruzie. Nee, nou niet zo verbaasd kijken, ik maak nooit ruzie. Met mij kan je alle kanten op, ik vind het allemaal best. Maar vrouwen? Vrouwen, die zijn zo ontzettend veeleisend! Daar wordt je als man zijnde echt helemaal gek van!”

 

“Ja, en de gemiddelde man is een mak lam dat zich gewillig laat leiden. Leg uit. Was je pinksterweekend niet zo geslaagd?”

 

“Hoe raad je het. We waren een weekendje weg. Natuurlijk eerst weer die traditionele discussie over wat je allemaal wel en wat je niet mee hoeft te nemen op een boot, maar eenmaal geladen met de waterlijn een centimeter of wat hoger, en het eerste flesje open, leek het wel gezellig te worden. Tot we het, eenmaal door de sluis, eens moesten worden over de plaats van bestemming. Nou heb ik een Appje, met daarin alle havens, en dan kan je zien wat de voorzieningen zijn, en ook reserveren, en aangezien half België en Duitsland ook weer aan het drijven was in die Zeeuwse Delta leek het me wel een goed plan om een box te bestellen. Tja, ik weet niet hoe het met jou zit, maar als ergens twee meter verval is, vind ik het meestal niet zo fijn om te dubbelen. Je weet immers maar nooit hoe het schiemanswerk van de buurman is, dus…”

“Ik vind het altijd wel lekker, dubbelen. Een beetje weg van die herrie op de steiger, en als je dan als buitenste ligt heb je in ieder geval fijn uitzicht. Plus dat ik het meestal gezelliger vind om naast iemand te liggen die aan boord is dan tussen twee verlaten boten op hun vaste ligplaats.”

 

“Ja, dat is nou weer typisch vrouwelijk. Als het maar ‘gezellig’ is. Maar dat de buurman van die fenderhoezen heeft waar zand zo fijn in blijft zitten, waardoor jij allerlei krassen op je lak krijgt, daar denk je dan niet aan hè. Of fijn naast een platbodem, die hebben van die stalen randen langs de zwaarden. Gelcoatpeelers zijn dat.”

 

“Kwestie van een beetje opletten, wil op de juiste plaats hangen. Maar vertel, jullie zaten op dat water, jij op je Appje, en toen?”

 

“Nou ja, ik stelde een paar havens voor, allemaal prima voorzieningen. Wifi enzo, want ik wil toch wel graag elke dag het nieuws even zien en het weer checken op Windguru, en lekker douchen, dus. Maar nee, ze moest en zou door het Brabants Vaarwater. Dus ja, dan is de keuze beperkt.”

 

“Waarom per se dat Brabants Vaarwater dan?”

 

“Daar blijken de zeehonden te wonen.”

 

“En dat wist jij niet?”

 

“Nee, hoe moet ik dat weten? Daar is geen Appje van!”   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de start linksaf...

Voor de 8urenOosterschelde heb ik een gastblogje geschreven... 

 

 

Na de start linksaf

 

“Ellen, ik weet dat je het druk hebt, en dat je daardoor niet meer als vast bemanningslid mee vaart met Diricawl, maar wil je toch mee de acht uur Oosterschelde varen?”

 

“Ik vaar niet meer mee omdat ik het te druk heb, waar zit dan de logica in dat ik acht uur ga varen?”

 

“Nou, het is een soort puzzeltocht. En aangezien jij goed kan navigeren…”

 

“Een puzzeltocht? Met opdrachten?”

 

“Nee, geen opdrachten. Je krijgt een rakkenkaart, je mag elk rak maar twee keer varen, er zijn drie startplaatsen en tussen vijf en zes moet de hele club in dat muizengaatje voor Sint Annaland finishen. Degene met de meeste mijlen, op handicap dan he, is de winnaar.”

 

“Oh, dus we hebben ook eens kans op line honours!”

 

“Liever niet. Dan laten we een uur zeilen liggen…”

 

Ze wilde. En daarmee had Diricawl haar bemanning compleet. Gezien de volle agenda’s van de diverse dames werd de boot een week eerder al van Veere naar Sint Annaland gebracht. Dat is een raar gevoel, je boot een week uit logeren. Gelukkig lag ze tussen allemaal andere boten van haar eigen maatje, en niet tussen die hele grote jongens. Daar had ze zich met haar negen meter vast heel nietig gevoeld...

 

Vrijdagavond, na het eten want er moesten nog kinderen naar sportclubs gebracht en mannen geïnstrueerd over hoe ze het weekend zonder hun vrouw moesten overleven, reden we dus vier vrouw sterk naar Stalland, met de gedachte in Buutengaets nog even wat tactiek te bespreken. Op Twitter waren we al geadviseerd over polaire diagrammen, maar wij hadden eerder een wijntje op een polaire temperatuur in gedachten.  Eenmaal met de kaarten op tafel werden we door daar al aanwezige andere bemanningen overspoeld met tips, die we stuk voor stuk niet bijster begrepen. ‘Na de Keeten B moet je terug’, tja, wat heb je er aan? Het afzakkertje aan boord van de Luwte sloegen we (verstandig) af. We moeten nog zeilen morgen.

 

Eenmaal buiten, voor de start was er van alle tactiekbesprekingen nog maar een ding blijven hangen. Na de start linksaf. Wat we gedaan hebben. Een heerlijke zeildag, zeven uur en 52 minuten gezeild, 36 mijl wat ons een keurige zestiende plek in een veld van veertig opleverde: volgend jaar weer! 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwemvest

“Wat had jij nou laatst weer voor zuur commentaar op mijn Facebook? Dat we een zwemvest aan moesten doen?”

“Ja, maar dat doe ik niet alleen bij jou hoor. Dat doe ik bij elke foto die ik in deze maanden voorbij zie komen en waar ik blije eikels, meestal ook nog met een blik in de hand, een rakje zie maken in volle bepakking maar zonder ploffer. Ik vind dat zo stom.”

“Angsthaas. Er gebeurt echt niks hoor. En anders hebben we de KNRM?”

“Lekker makkelijk is dat. Die rukken vast met liefde en plezier uit als er wat aan de hand is, maar ik betwijfel of ze het leuk vinden om een lijk uit zee te moeten vissen. Geef jij, ben jij redder aan wal?”

“Ja, natuurlijk, braaf elke maand!”

“Lees je dat blad van ze ook? Ik las laatst dat ze gemiddeld twintig keer per jaar een man overboord melding krijgen en dat loopt meestal slecht af. Tik van de giek gehad, ’s nachts, uitgegleden op een glad dek, noem het maar. Ik kan me daar ook wel een paar stommigheden bij voorstellen. Zoals wat jij doet: zeilen in de winter, zonder goede ploffer. Weet je hoe zwaar je bent met al die laagjes aan? Jullie hebben vermoedelijk helemaal niet de juiste zwemvesten aan boord, waarschijnlijk allemaal van die 150-ers?”

“Er zijn er een paar die hun eigen zwemvest hebben, maar inderdaad, die dingen aan boord zijn 150. Dat is toch genoeg?”

“Ja, in de zomer wel ja. Maar je zou voor de gein eens met je pak en je laarzen aan moeten gaan zwemmen komende zomer. Ik ben eens gesprongen, in de zomer, met alleen een windstoppertje aan, je weet wel, een fleece met binnenlaag, en ik was heel blij dat ik goed kan zwemmen. Zwaar! Het is prima dat je wat thermo-ondergoed aantrekt onder je kleren, en daaroverheen nog een pak, en dan een muts, handschoenen en laarzen, want het is koud. Wat ik echter niet begrijp is dat je dan met al die lagen dat ene laagje dat je leven kan redden, overslaat want dat zit dan zogenaamd niet lekker. Je hebt al zoveel lagen aan dat je een aardige imitatie van Bibendum doet, je kan je al amper meer bewegen, dus dat kan er toch ook wel bij? Je kraag staat tot je oren opgetrokken, je hebt een muts op je kop, je ziet het ding niet eens, laat staan dat je hem kan voelen.”

“Bibendum?”

“Het Michelin Mannetje. Moet met zijn gewicht ook wel een 275-er, elke Newton is een kilo. Nou zonder dollen: je zinkt als een baksteen hoor. En ga nou niet zeggen dat je nooit over de muur gaat, dus waarom nu wel, want een keer is genoeg.”

“Ja, er is wel wat voor te zeggen. Ik zal het eens in de groep gooien. Zeker voor diegenen die het voordek doen.”

“Nee, allemaal. Dus ook die stuurman: vestje aan. Zeker nu. Wist je dat de meeste drenkelingen in de winter met open gulp uit het water worden gehaald? WC is winterklaar, dan de achterstag maar…”

 

 

(deze column verscheen eerder in Zeilen, februari 2013. Kijk ook eens op hun website, of op het Feestboek!)

 

 

 

 

 

Verzonnen

 

“Jij schrijft toch die verhaaltjes in Zeilen?”

“Als je die column achterin bedoelt: dat ben ik ja.”

“Waarom schrijf je niet gewoon eerlijk op dat je dat allemaal zelf bent?”

“Omdat ik het niet allemaal zelf ben?”

“Ja, natuurlijk wel. Of je hebt het zelf zo gehoord.”

“Nee? Nee, echt niet. Ik hoor een halve zin en verzin daar een hele column bij. Zo werkt dat bij mij. Ik ben geen journalist, ik ben schrijver. Verhaaltjes verteller.”

“Nah, dat kan niet. Ik geloof er niets van dat je het niet gewoon zo hoort, en het dan alleen maar hoeft op te schrijven. Dat kan je niet zo verzinnen, dat moet je gehoord hebben. ”

“Was het maar waar. Nee hoor, ik hoor iets, een zinnetje, of gewoon algeheel gemopper. Wie uit jouw bootjes-kring loopt niet te zeuren over het onderhoud, wie heeft er niet altijd meer spullen mee naar de boot dan van te voren had bedacht en wie heeft er niet af en toe thuis ruzie over de tijd die in die boot gaat zitten? Dat lijkt me aardig universeel, dus ja, dat maak ik mee. Maar dat maak jij ook mee. Soms is het dan een zinnetje waardoor ik het hele gesprek voor me zie, bijna kan horen, en soms verwerk ik zelfs dat ene zinnetje in een column, maar het meeste is van begin tot eind verzonnen. Of beter: ik zie het voor me, alsof ik het meegemaakt heb, en dan heb ik het weer net even anders beschreven.”

“Ja, dat zeg je nu wel, maar neem nou die column over die man die elk jaar met zijn familie strijd moest hebben over de vakantie. Of dat van dat een jaar bezig zijn met onderhoud. Die van het weer zout ruiken als je Zeeland weer in vaart. Dat heb je toch gewoon zelf meegemaakt?”

“Nee , dat heb ik niet zelf meegemaakt. Ik heb geen ruzie over de invulling van de vakantie, maar ik kan me de bonje thuis wel voorstellen. Dus daar kan ik dan een stukje over schrijven. Dat zout ruiken, ja dat rook ik wel, ooit een keer, maar de discussie over wat je dan precies ruikt is nooit zo gevoerd, en schrijven over onderhoud? Dat is als ik even geen inspiratie heb. Onderhoud, daar heeft iedereen beeld bij. Dat is zo universeel. Koop een boot, werk je dood? ”

“Dus je verzint het allemaal? Alles?”

“Ja. Dikke duim heb ik he?”

“Die man op de Hiswa, die vent in de bouwmarkt, dat zeilen in het Engels, die auto’s vol met spullen voor drie dagen zeilen, die pech met het onderwaterschip: dat is allemaal verzonnen? Alles?”

“Ja. Geïnspireerd door wat ik zie en meemaak, dat wel. Maar de dialogen zoals ik ze opschrijf: allemaal uit mijn duim. Van a tot z aan elkaar gefantaseerd. Niet Echt Gebeurd. Gelogen, zo je wilt.”

“Alles? “

“Alles.”

“Dus als ik dit teruglees in Zeilen…?”

“Dan heb ik dat zojuist verzonnen. Dank je wel trouwens. “

 

 

(deze column verscheen in het januarinummer van Zeilen. Kijk ook eens op hun website: www.zeilen.nl)

 

 

 

 

Dag Sinterklaasje!

Sinterklaas is weer weg. 

In de huishoudens met gelovers is de rust weer teruggekeerd en mogen schoenen weer onder de kapstok, hoeven de folders niet meer kapot geknipt worden voor de verlanglijstjes, staat voorlopig geen hutspot meer op het menu (wat moet je anders met al die wortels voor het paard?), gluurpieten houden zich niet meer op in donkere hoekjes en herrie op het dak is weer gewoon de wind en niet misschien wel een paard. 

Hier geloven ze niet meer, maar 6 december is de dag dat ik het laatste restje behangplak voor papier mache toch maar weg gooi, de restjes sintpapier weer in de kast stop en we weer gewoon op elkaars kamers mogen komen – de surprises zijn inmiddels niet alleen af, maar ook al weer gesloopt om bij het eigenlijke cadeau te komen.

 

Drie weken gekte. Heerlijk. Intocht, schoenen zetten, surprises maken en rijmen. Ik hou er van. 

Collectief nemen we met zijn allen jonge kinderen in het ootje, van de intocht tot gisteren. “Dank u Sinterklaahaasje”; zelfs volwassenen die beter zouden moeten weten zingen het na de vierde chocoladeletter. 

 

Maar een ding begrijp ik niet, en dat is waarom het als zo’n nachtkaars uit gaat. We gaan wel met zijn allen bij die intocht staan, die intocht wordt zelfs live op TV uitgezonden, maar  Sint en zijn gevolg worden na zes december totaal vergeten. Ondankbare honden zijn we, allemaal!

 

Ik pleit dan ook voor een nieuw fenomeen in Klazenland: de uittocht. Zes december met zijn allen weer naar die haven en zwaaien maar!

De pieten gooien de allerlaatste pepernoten richting de kade, het paardje huppelt het dek op en neer want hij ruikt de stal al, Sint zwaait nog één keer naar de verzamelde meute kinderen die dit jaar niet alleen als Zwarte Piet, maar ook als blauwe, gele en multi-color Piet zijn geschminckt (zonder oorbellen!), en zet dan weer koers naar Spanje. 

Zie ginds gaat de stoomboot op Spanje weer aan. Het past in het ritme van de muziek. 

 

Dag Sinterklaasje! 

 

 

 

(dit blog verscheen eerder, in een andere versie, op Hyves. Maar dat weet niemand meer. Of je wil het niet meer weten...) 

 

 

 

Onderhoud

“Heb jij je boot verkocht?”

“Man, hou op. Staat bij de werf. Ik had toch twee jaar geleden wat problemen ontdekt op mijn onderwaterschip? Osmoseplekken. Dat kwam me die winter helemaal niet uit, dus uitgeboord, geplamuurd en het moest het maar een jaartje redden. Groot onderhoud afgelopen winter. Werf gezocht, afspraak gemaakt: week zeven was ik welkom.”

“Week zeven? Dat is toch februari ?”

“Ja. Laatste week februari. Ik helemaal blij, ik gokte een week of twee, drie daar en dan klaar om te varen. Ik had mezelf al opgegeven voor de openingstocht, dat zou ik ook eens halen. Nou, dat liep even anders.”

“Met werven is het lastig afspraken maken he?”

“Aan die werf heeft het niet gelegen, die waren keurig binnen de afgesproken tijd klaar. Nee, mijn schuld. Ik dacht de loosbuizen vanuit de kuip onder handen te nemen. Daar zat zoveel rommel in en roest; schoonmaken hielp niet veel meer, dus ik dacht: als die boot dan toch op de kant staat, vervang ik ze. Daarmee begon de ellende. Die dingen lopen door het motorruim en ik kon er wat rottig bij. De werf wilde de motor er wel even uit treken met een kraantje. Dus hup, torretje er uit, zie ik dat de motorsteunen bijna door zijn. Moest ik op zoek naar nieuwe motorsteunen. Die geven ze ook niet weg, trouwens. Zes weken levertijd, dus ik dacht: laat ik dan in de tussentijd het motorruim even schilderen. Schuren, zie ik dat de strut niet helemaal lekker vast zat. Ik heb toch een keer een lijn in de schroef gehad? Daar had de uithouder een klap van gekregen: overal haarscheurtjes. Dus voor ik kon schilderen moest het eerst in de epoxy, maar ja, dat spul kan je pas verwerken als het een beetje temperatuur is. En aangezien we in maart nog zo ongeveer op de schaats stonden, zat er voor mij maar een ding op. Wachten. Al met al was het begin april voor ik de motor er weer in kon laten zetten.”

“Net op tijd voor de openingstocht, toch?”

“Ja. Maar de motor deed het niet. Roest in de dieseltank. Nieuwe bestellen, weer vier weken levertijd, boel weer installeren, blijkt er zoveel vervuilde diesel in het motorblok zelf te zitten dat het uit elkaar moest. Nou ben ik best handig, maar daar stopt mijn technische kennis. Inmiddels was het ruim na Pinksteren, en die werf waar ik stond had genoeg te doen. Drie weken later pas aan de beurt.”

“Jee. Maar toen? Want je ligt nog steeds niet in je box?”

“Tegen de tijd dat de boot klaar was, was het zomervakantie. Wij dus met de auto daar naar toe, daar opstappen. Heerlijke vakantie gehad, vier weken prima weer. Maar de laatste drie dagen opeens problemen met het elektra. Nou hadden ze me bij die werf zo goed geholpen, dat ik dacht: daar naar terug. Mijn auto stond er tenslotte ook nog. Zo gezegd zo gedaan. Bleek het niet een klein probleem te zijn maar iets groots. Enfin, doe maar dan.”

“En nu?”

“Openingstocht volgend jaar moet lukken.“

 

 

(deze column is ook verschenen in Zeilen van november 2013)

 

 

 

 

 

Rijke stinkerd

 

 

“Hee collega, leuk je weer te zien! Hoe was je vakantie?”

“Heerlijk. Drie weken met de boot weggeweest, prima weer gehad, heel gezellig.”

“Oh ja, dat is waar ook, jij bent zo’n rijke stinkerd door wie ik altijd voor de brug moet wachten.”

“Weet je dat ik dat dus echt niet leuk vind, dat je dat zo zegt? Waarom ben ik per se een rijke stinkerd omdat ik een boot heb? Wij doen exact hetzelfde werk en ik mag er dus vanuit gaan dat we ook ongeveer hetzelfde verdienen. Waarom ben ik dan een rijke stinkerd en jij niet?”

“Ik ben zeker geen rijke stinkerd. Dus ja, nou je het zegt, jij waarschijnlijk ook niet. Maar geef nou toe; de meeste mensen met boten hebben geld.”

“Dat hoeft helemaal niet hoor. Het zijn gewoon keuzes die je maakt. Jij hebt toch een caravan met seizoenplaats?”

“Gewoon een sleurhut met voortent hoor, niets bijzonders.”

“Daar heb je het dus al. Ik klaag toch ook niet dat ik voor de brug moet wachten tot al die caravans er over zijn? Of nog erger: de campers? Waarom heten die dingen trouwens allemaal ‘Rapido’? Ze kunnen allemaal hun gaspedaal niet vinden!”

“Een camper is ook duurder dan een caravan.”

“Daar gaat het me helemaal niet om. Ik word af en toe zo moe van het vooroordeel dat mensen met boten rijk zijn. Zullen we het even vergelijken? Mijn boot is uit 1978; 35 jaar. Dat haalt een caravan niet hoor. Nou is het wel zo dat een caravan misschien minder onderhoud nodig heeft dan een boot; ik heb jou tenminste nog nooit gehoord over ‘knippen en scheren’. Poetsen en in de was zetten doe jij echter ook, jij hebt ook een kachel op diesel, een gasslang die elke drie jaar vervangen moet worden en elektra dat op 12 volt werkt en het dus af en toe niet doet. Dus: aanschaf, afschrijving, onderhoud en reparatie: ik denk dat we per saldo ongeveer even duur uit zijn.”

“Ja, maar dan ben je er nog niet, toch?”

“Nee, dan ben je er nog niet. Jouw ligplaats heet de camping, en jouw winterberging is de schuur van boer Janse. Dus weer zijn we ongeveer even duur uit.”

“Ja, als je het zo bekijkt…”

“Zo moet je het volgens mij ook bekijken! Jij laat af en toe de stiksels van je voortent nalopen, ik die van de zeilen. We moeten er allebei voor sparen als we iets nieuws willen, of het nou een buiskap is of een nieuw vlonder. Laten we wel zijn, jouw caravan, mijn boot; het zijn allebei dure hobby’s. Maar ook hobby’s die de prijs waard zijn: je komt nergens zo tot rust op een zaterdag na een drukke werkweek als zittend voor je voortent of op je achterdekje.”

“We zijn dus eigenlijk allebei rijke stinkerds?”

“Nee, ik ben in ieder geval geen rijke stinkerd. Jij misschien…”

“Hoezo nou ik wel en jij niet?”

“Ik stink niet. Het tocht lekker door hoor, op dat water!”

 

 

 

 

(deze column staat ook in Zeilen van oktober 2013. Zie ook hun website www.zeilen.nl)

 

 

 

 

 

Wat doet het weer

Weerbericht

 

“Wat doet het weer?”

“Het weer? Nou, zonnig, dat zie je toch?”

“Ja, dat zie ik, maar wat gaat het weer doen?”

“De voorspelling? Windguru zei vanochtend 10 knopen aantrekkend naar 14, Windfinder heb ik nog niet bekeken want die heb ik niet op mijn telefoon, en op weeronline, wacht even: ‘zonnig en warm met later op de dag lokaal kans op onweersbuien’.”

“En wat zegt Twitter?”

“Twitter? Geen idee, ik heb niet gezocht op weer.”

“Jij zat toch net Twitter te bekijken?”

“Ja. Zaterdag, dus de column van Youp, en verder gewoon of er in de wereld nog iets is gebeurd. Ik heb geen weerberichten voorbij zien komen, dus mijn hoofd zegt: geen bijzonderheden.”

“Mmm. En Instaweather? Heeft Joost ofzo niet net het weer op Facebook gezet?”

“Instaweather? Dat is toch dat je een foto maakt en dat het appje er onder zet waar je bent en hoe warm het is? Een soort Foursquare maar dan van weerberichten? Waarom wil jij weten waar Joost is en hoe warm of koud hij het heeft?”

“Dat hoef ik ook helemaal niet te weten van Joost, maar ik wil gewoon weten wat het gaat worden vandaag. Nu is het mooi, maar blijft dat zo? We hebben tegenwoordig al die moderne middelen, laten we er gebruik van maken, dan weten we waar we aan toe zijn vandaag.”

“Wat mij betreft weten we dat nu ook al. Het is nu een beetje bewolkt, en het wordt zonnig en warm. Weet je: ik vind het soms helemaal niet meer leuk. Al dat moderne gedoe? Jij navigeert op je iPhone, we hebben windappjes en waterappjes, en appjes waarmee we aan onze vrienden kunnen laten zien dat wij ook mooi of juist lelijk weer hebben, we zijn helemaal onthand als we geen verbinding hebben en we weten met dank aan Buienradar tot op de minuut nauwkeurig niet alleen Dat het gaat regenen, maar ook nog Waar. Wat is er gebeurd met het nemen zoals het komt?”

“Ik neem het toch zoals het komt? Maar Als het komt, dan heb ik het graag zien aankomen. Dat is toch niet raar? Als het KNMI een code rood of oranje afgeeft vanwege onweer of wateroverlast, dan is het toch fijn om dat te weten? Of zit jij liever op het water in windstoten van 100 meter per seconde?”

“Van code oranje vanwege wateroverlast heb je op een boot niet echt last. Maar dan nog. Natuurlijk wil ik ook graag weten wat de voorspelling is, maar als je het niet helemaal weet, zoals nu, wat dan? We weten al dat het aan het einde van de dag kan gaan onweren, het is nu redelijk: dan kunnen we toch weg? Lucht in de gaten houden en indien nodig weer de haven in. Ja toch? Daar hoeven we toch niet het hele internet voor open te trekken?”

“Eigenlijk heb je gelijk. Trossen los dan maar?”

“Ja. Een tel. Ik voelde een druppel. Nog even buienradar checken of ik mijn pak aan moet doen.”

 

 

 

(deze column verscheen eerder in Zeilen. Bezoek ook de website: www.zeilen.nl)

 

 

 

 

 

 

 

inruimen

 

 

“Haha, heb je alles denk je?”

“Alleen mijn handtas en mijn tas met toilettas enzo, je weet wel, de meteen- nodig- tas, die ligt nog in de auto, maar ja, verder heb ik alles. Hoezo?”
“Dat meen je niet. Lief, ik was ironisch. Je hebt een karretje vol. Wat zeg ik, een karretje vol? Er staat een kop op. We gaan een weekje varen. Wat heb je in hemelsnaam allemaal meegenomen?”
“Nou, niks bijzonders hoor. Ik heb me echt beperkt. Dus pak nou maar aan, als je vind dat het niet nodig is, dan zet je het maar op de steiger.”
“Ik weet niet of die steiger breed genoeg is... Maar, goed, kom maar door.”
“Dit is mijn slaapzak, en in deze tas zitten drie handdoeken. Een grote en twee kleine. Niet heel raar denk ik?”
“Nee, niet heel raar.”
“Oh, en ik heb er ook maar vast een paar theedoeken bij gedaan, ik weet niet of je die aan boord hebt?”
“Ik ben niet gek hoor. Natuurlijk zijn er theedoeken aan boord.”
“Nou ja, dat is de ruimte niet, toch? Zet nou maar weg? Dan kan je dit krat aanpakken. Let op, zwaar. Boodschappen.”
“Boodschappen? Lood!”
“Nee, boodschappen. Traytje bier, flesje rood, flesje wit, flesje roze, kipkluifjes van de markt, een nootje en een chipje, tomaatjes, brood, beleg, wat sap en fris, eten voor twee dagen: boodschappen. Deze tas ook, maar die weegt niets. Dat chipje en nootje, zeg maar.”
“We gaan een week hè? Met zijn tweeën. Ik weet niet welk weeshuis jij op de borrel verwacht, maar ik zie hier alleen al vier soorten chips. En borrelnootjes ? En kroepoek? Wat gaan we doen met kroepoek?”
“Dat is lekker. Sjee, wat doe jij moeilijk zeg. Hier, de volgende tas. Pas op, niet laten vallen.”
“Weer lood. Wat is dit dan?”
“Een paar boeken...”
“Paar boeken? Voor een week?”
“Weet ik veel waar ik zin in heb om te lezen?!? Een paar boeken. Leesboeken, maar ook studieboeken, ik moet echt nodig wat leeswerk van die cursus inhalen, mijn laptop, nog wat rommeltjes. De vrijetijdtas, zeg maar. Dus niet ergens wegstouwen dat ik er niet bij kan.”
“Wat jij wil lief. Geef die weekendtas ook maar, wat is dat?”
“Kleren. Ja, je zal het wel veel vinden. Maar ik neem deze keer geen risico, ik ga niet weer in jeans en laarzen staan als jij een jasje aan kan doen dat je 'toevallig' aan boord hebt hangen. Ik heb een jurk en hakken bij me, en dat gaat gewoon mee.”
“Niemand verwacht een jurk hoor. Dat van zo'n jasje is soms ook gewoon een soort folklore ?”
“Ja, dat zal allemaal best. Dan nog. Hier, de laatste.”
“Met?”
“Duh! Mijn zeilpak en laarzen misschien?”
“Oh, oké. Dus vijf tassen, een krat en een slaapzak. Ik moet mezelf zeker gelukkig prijzen?”
“Ja, dat moet je zeker. Ik zal dat karretje even terug zetten en mijn handtas en toilettas uit mijn auto pakken. Dan kunnen we.”
“Nog even mijn auto leeghalen dan.”
“Jouw auto? Wat zit daar dan in?”
“Ik zou graag zeggen 'mijn jas en een tandenborstel', maar ik vrees ook zoiets als dit. Begin jij vast met inruimen?”

 

 

 

(Deze column verscheen eerder in Zeilen magazine, juli 2013. www.zeilen.nl)

 

 

 

rode schoentjes

Op Facebook zet een collega met een klein dochtertje opeens een foto van rode schoentjes. Hee, daar had ik ook ooit een blog over, destijds op Hyves gezet!

 

Vivienne, deze is voor jou...

 

 

 

Rode schoentjes

 

 

Flamencoschoentjes. Brandweerautootjes rood, met zwarte stippen. Een klein teruglopend hakje, een riempje over de wreef met een piepklein gespje om dat riempje vast te zetten. In Spanje in de meeste supermarkten verkrijgbaar vanaf maat 25. De meeste kleine voetjes in die maat kunnen nog niet eens lopen, laat staan de ingewikkelde stappen uitvoeren die een Flamenco eist, maar dat mag de pret niet drukken.

 

Ik kom bijna jaarlijks een keer in Spanje en sta altijd een keer met die schoentjes in mijn handen. Ze voor mezelf kopen is geen optie. Ik moet schoenen hebben waarmee ik bergen kan beklimmen. Als er onder mijn voeten nog maar iets riekt naar een hak, struikel ik al voor ik ze aan heb. Maar sinds ik zwanger was van mijn oudste had ik dus de hoop dat ik ze ooit voor mijn kind zou kunnen kopen. Nou werd oudste een jongen, dus de drie jaar erna waren de schoentjes veilig voor me. Tot ik zwanger werd van de tweede. Weer stond ik met die piepkleine maar oh zo leuke schoentjes in mijn handen. Weer kocht ik ze niet. Want als het weer een jongen werd, dan had ik toch helemaal niets aan die schoentjes? Toen het een meid bleek te zijn weerhielden verstandige argumenten me van aanschaf. Ze zal ze in Nederland nooit kunnen dragen, ze zijn niet goed voor kleine meisjesvoeten en praktisch zijn ze ook al niet. Ze kan de gespjes niet eens zelf dicht doen.

 

Dochter is nu zeven. Een echte meid. Niets leuker dan een mooie jurk. Weer zijn we in Spanje. Ze wil een souvenirtje, uiteraard. Als ze aan komt sjouwen met rode flamencoschoentjes kan ik haar wel zoenen, en juichend reken ik af. Als ze haar te klein worden lijst ik ze in.

 

 

 

(bestaat dat Hyves nog, trouwens?)

 

 

 

 

Teun

“Ga je mee Teun, een rondje in het optimistje? Even om het eiland heen? Ik stuur wel, dan mag jij voorin zitten. Of jij mag ook zelf sturen, ik ben er vlak bij?”

“Nee, ik ben niet zo’n durver. Ik heb ook mijn B nog niet..”

“Maar je hebt je A toch? Bovendien, we gaan zeilen hoor. Daar heb je helemaal geen zwemdiploma’s voor nodig. Een goede schipper blijft aan boord. Ja? Een stukje hier alleen in de kreek dan?”

“Maar waar is mama dan?”

“Mama blijft gewoon hier op de steiger, of misschien gaat ze wel even met een boekje in de kuip zitten. Maar we gaan toch niet ver weg? Gewoon een stukje met het kleine bootje varen.”

“Waar gaan we dan naar toe?”

“Nergens naar toe, gewoon een stukje zeilen omdat het leuk is. Zie je daar die boot voor anker liggen? Zullen we daar omheen varen en dan weer terug? Ja, klim er maar in. Als je daar tegen het mastje gaat zitten, dan zit je niet in de weg en je hoeft ook nog niets te doen. Je laat je varen, is dat geen luxe?”

 

“Waarom gaan we zo schuin?”

“Dat komt door de wind. Die duwt ons naar voren, maar ook een beetje opzij. Kijk, als ik dan aan de hoge kant ga zitten komt de boot weer recht. Wil jij even sturen?”

“Ik weet niet hoe dat moet…”

“Oh, dat is heel makkelijk, dat kan je vast. Zie je dit stokje? Dat is de helmstok, en als je nou bijna ergens tegenaan vaart, dan richt je het puntje op het gevaar en dan gaat de boot de andere kant op. Ja, goed zo! Merk je het, dat als je het roer de ene kant op doet, de boot juist de andere kant op gaat? Weet je wat makkelijk is? Als je nu een punt op de kant kiest om naar toe te varen en dan maar proberen om daar recht op af te sturen. Nee, kleine bewegingen maken met je roer, anders ga je zo slingeren, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je je naam in het water schrijft.”

“Dat kan helemaal niet, je naam in het water schrijven. Het is toch geen pen?!”

 

“Gaan we nog een rondje?”

“Even mijn koffie opdrinken, oké? Dan gaan we nog wel een rondje. Ga jij dan weer sturen?”

“Ja, want dat kan ik heel goed. Misschien kan ik wel kapitein worden, net als papa. Papa kan ook heel goed sturen toch?”

“Ja, jouw papa kan fantastisch sturen.”

“Gaan we nu dan ook om het eilandje heen? Op het echte Veerse Meer?”

“Als jij dat wilt, dan gaan wij om het eiland heen hoor. Maar zal ik dan sturen? Dat jij op de punt gaat zitten, met je rug tegen de mast aan? Er staan daar wat meer golfjes, en omkiepen willen we natuurlijk niet. Dan varen we langs de grote boot, langs mama. Dan kan jij zwaaien.”

 

“Mamaaaaa!!! Kijk naar mij!!!”

 

 

 

 

(deze column verscheen eerder in Zeilen)

 

 

 

zomertje

Kindertjes die vragen worden overgeslagen. Maar ik vind het onderhand het proberen waard...

Ik wil katoenen broeken aan en blote benen. Ik wil mopperend mijn schoenen uitschoppen: te warm. Ik wil klachten van mijn dochter dat haar favo bikini in de was is en klachten van mijn zoon dat er op school geen airco is. Ik wil slapen onder mijn Turkse dekentje, dat eigenlijk niet meer is dan een dik laken, omdat het dekbed echt veel te warm is. Ik wil 's avonds om tien uur nog de tuin gaan sproeien omdat het daarvoor toch meteen verdampt. Ik wil alle ramen tegen elkaar open zetten zodat het een beetje door kan waaien. Ik wil zelfs hollend door het huis om ze allemaal dicht te doen als die ene verlossende onweersbui er eindelijk is. Ik wil barbecuen en salades eten, ik wil tot na middernacht op een terrasje, ik wil blote schouders en zwemmen in het Veerse Meer. Ik wil een flaphoed moeten kopen omdat je de zonnebril nu echt begint te zien, ik wil een hond die niet wil hollen want hij heeft zijn winterjas nog aan, en een kat die te lui is om muizen te vangen. Ik wil muggen doodmeppen en naar hommels kijken. Ik wil taboulet, mojito's en Ambre Solaire.
 
Het is 1 juni: kan het nou eindelijk eens zomer worden???
 
 
 
 
 
.
 
 
 

afscheidsfeestje

“Volgende week dus. Maandag. Zaterdag nog een etentje met naaste familie, zondag de laatste dingen opruimen, en dan gaat het echt beginnen. De voorspellingen zijn goed, we zouden zo in een keer in de richting van Frankrijk geblazen moeten worden. Golf van Biskaje, om Portugal heen en dan hopen we op tijd in de Azoren te zijn om mee te kunnen varen met de groep naar de Carieb. Ik ben er klaar voor hoor, ik heb er zin in!”

 

“Want?”

 

“Hoe bedoel je: ‘want?’?”

 

“Waarom willen jullie dit nou eigenlijk?”

 

“Hallo, heb jij ons niet gekend de afgelopen jaren? We zijn nu al vier jaar met de voorbereidingen bezig! Eigenlijk al sinds we de vorige boot verkocht hadden: we hebben toen echt gezocht naar de wereldreisboot. Jij hebt ons nog tips gegeven over waar we op moesten letten met het elektrisch systeem, dat het ook in de tropen moet kunnen blijven draaien. En dan vraag je nu waarom?”

 

“Ik weet best dat jullie er al heel lang mee bezig zijn. Maar ik weet eigenlijk niet zo goed waarom jullie dit willen. Kijk, hier vanavond, jullie afscheidsfeest: hartstikke leuk hoor, en een volle bak, maar ik vraag me nu eigenlijk gewoon af: weten jullie wel wat jullie achterlaten? Het volleybalteam van Inge, jouw hockeyclub, de mensen van de vereniging: dat is allemaal nog wel te overzien. Maar jouw jongste zus, die is hoogzwanger. Je neefje of je nichtje ga je dus alleen maar via Skype meemaken he, die zie je pas in levende lijve als het al loopt. Die oude man daar, wat is het, een opa, een oom? Beseffen jullie wel dat jullie er waarschijnlijk niet bij zullen zijn als die onder de groene zoden gaat? Jij hebt je moeder nog, wat als ze ziek wordt? Die is tenslotte ook geen twintig meer. Inge heeft haar beide ouders nog, maar ze is wel enig kind: wat als jullie net door het Panamakanaal aan het steken zijn als daar iets mee gebeurt?”

 

“Er zijn toch vliegtuigen...”

 

“Ja, natuurlijk zijn er vliegtuigen. Maar het zal niet zo zijn dat je voor elke gebeurtenis hier terug zult komen vliegen. Ten eerste staan er op jullie wereldreisplanning nogal wat gebieden waar je je boot waarschijnlijk niet onbeheerd achter zult willen laten, maar vooral: je zult moeten kiezen. De eerste verjaardag van die kleine die nog geboren moet worden zal je waarschijnlijk aan je voorbij laten gaan. Als opa ziek wordt en binnen een paar dagen gaat, zullen jullie er ook niet bij zijn om de laatste woorden mee te maken, wat ik laatst had, mijn moeder een tia: je vliegt er niet voor terug, maar ik was blij dat ik binnen een half uur in het ziekenhuis was hoor.”

 

“Ja, als je het zo bekijkt…”

 

“Zelf weten, maar ik zou er toch nog eens goed over nadenken.”

 

“Nee. Juist niet. Niet over nadenken. Dan gaan we niet. Dus nee, vooral niet nog eens goed over nadenken. En doe me een lol? Praat jij vanavond even niet met Inge?”

 

 

 

 

(deze column, die een beetje een ode aan zus en zwager is - zie www.kindofblue.info - verscheen eerst in het meinummer 2013 van Zeilen Magazine. )

 

 

 

Op weg naar huis

“Ruik je dat?”

 

“Als dat een hint is dat je koffie wilt, dan moet je maar gewoon even wachten hoor. Je ziet toch dat ik bezig ben? We komen verdorie net die sluis uit, jij loopt altijd te zaniken dat we geen motorboot zijn en dat de stootwillen in de bakskist moeten als ze niet binnen tien minuten weer nodig zijn, geef me dan ook even de kans ze op te ruimen zoals jij dat wilt? Die landvasten voor moeten ook nog weg, en je hebt zelf de achterlijn nog niet eens opgeschoten. Ik kan niet heksen hoor!”

 

“Ik wil helemaal geen koffie.”

 

“Nou, voor een biertje is het nog veel te vroeg. Het is nog minstens twee uur varen naar Sint Annaland, en als je nu al aan het bier begint dan wil je er zo nog een en dan nog een, en voor je het weet zit je ver boven de limiet. En op het water gelden dezelfde regels als op de weg, dus meer dan twee mag niet. Dat weet jij ook.”

 

“Hallo, doe even niet alsof ik een of andere alcoholist ben, wil je? We hebben vakantie hoor, dat je dan om vier uur een pilsje zou nemen, dat moet dan toch kunnen? En jij drinkt ook je wijntje wel mee dan trouwens, en daar zeg ik toch ook niks van?”

 

“Ja, nou, zal allemaal wel, maar ik ben dus nog even bezig met die lijnen en stootwillen van jou.”

 

“Ja, en ik vroeg aan jou of je het ook rook, weet je nog?”

 

“Wat, ruik je gas ofzo? Dat ik kan ik hier natuurlijk nooit ruiken he! De wind staat de verkeerde kant op, en bovendien, jij zit zo ongeveer bovenop die gasbun, dus nee, ik ruik het niet. Ik ruik geen gas. Nee, wat doe je nou? Als je gas ruikt, dan ga je toch niet een sigaret aansteken? Gevaarlijke gek! Laat dat!”

 

“Ik ruik helemaal geen gas. Heb ik dat gezegd dan, dat ik gas ruik? Mens, doe niet zo overdreven. Bovendien, al zou ik gas ruiken, dan is het nog niet zo dat de boot ontploft als ik hier achter het roer een peuk op zou steken hoor. Gas vervliegt namelijk nogal snel? ”

 

“Boven een lekkende gastank een peuk opsteken is gewoon stom. Ook al kan er volgens jou niets gebeuren. Bovendien: je weet dat ik gas eng vind. Ik wil helemaal geen gas aan boord. We hadden in Enkhuizen gewoon die Origo mee moeten nemen, die daar in de aanbieding was. Dan had je nu geen gas geroken.”

 

“En dan waren nu al onze pannen aan de onderkant zwart geweest van die walm. Maar, nogmaals, ik ruik helemaal geen ga-has! Ik vroeg toch ook niet aan je of je gas rook. Ik vroeg alleen maar of jij het OOK rook. Het. Ook. Rook. Het.”

 

“Ik begrijp je niet. Wat zou ik moeten ruiken dan?”

 

“Zout. Na drie weken varen we weer op zout water. Vind je het niet heerlijk ruiken? We zijn weer thuis…”

 

 

 

 

(Deze column verscheen eerder in de vakantiespecial van Zeilen, die hoort bij Zeilen nummer 5, mei 2013. Kijk ook eens op hun website: www.zeilenmagazine.nl)

 

 

 

 

 

 

samen naar de Hiswa?

 

 

“Ga jij nog naar de Hiswa?”

“Als ik getrouwd wil blijven, denk ik dat ik maar een jaartje moet overslaan…”

“Hoezo dat dan? Ze hoeft toch niet mee?”

“Mee? Al jaren niet meer. Maar als ik nog een keer een Hiswa, Boot of wat dan ook bezoek, dan gaat de boot er uit. ‘Het wordt een te dure hobby’ zei ze.”

“Een te dure hobby? Wat is dat nou voor onzin? Dat toegangskaartje en de twee biertjes die je erna drinkt? Nee toch zeker?”

“Nee, dat kaartje, parkeren, dat biertje: dat kan haar allemaal niet zoveel schelen. Al zou ik daarna in Krasnapolsky gaan dineren. Daar doet ze niet moeilijk over. Maar die Hiswa zelf, daar was ze heel duidelijk over. Dat wordt te duur.”

“Die moet je dan toch even uitleggen. Jij hebt al jaren dezelfde boot. Wat is er dan duur aan een keer per jaar naar bootjes kijken op de Hiswa? Of heb jij vorig jaar die dikke Hanse gekocht, bij jou achter in de sloot gelegd en vergeten iets te vertellen?”

“Was het maar waar. Ik koop helemaal niks op die Hiswa, hooguit een boekje, of een trui ofzo. Maar iets groots? Nee. Je gaat kijken, vergelijken, boekjes mee, informeert je, en uiteindelijk koop je het om de hoek. Maar daar gaat het niet om: die boot die we nu hebben is prima, die gaat nog even niet weg. Het is meer dat ik zo hebberig wordt van die Hiswa. En je weet hoe ik ben. ”

“Hallo, ik was vorig jaar bij je hoor. Ik heb je zelfs zien kwijlen bij een speedboot waar je bijna zeevaartschool voor gedaan moet hebben voor je er mee weg mag. Eenmaal op die steiger: je hebt op een bepaald moment de slofjes niet eens meer uitgedaan. Alles wou je zien. Alles. En bij alle boten die je van binnen en van buiten had bekeken, zei je op een bepaald moment wel ‘als ik ooit die grote oversteek ga maken’ of ‘als ik over een paar jaar met pensioen ben..’ maar ik kan het gemist hebben, maar je je bent toch niet daarna naar de dealer gereden om zo’n boot ook daadwerkelijk te kopen? Dus wat zeurt Marijke nou met haar ‘te duur’? Je geeft toch geen cent uit?”

“Ja. Nee. Ja. Weet je wat het is? Ik kom van zo’n Hiswa, en ik weet dat ik helemaal geen andere boot ga kopen hoor. Ik WIL verdorie niet eens een andere boot! Maar op de een of andere manier… Een paar jaar geleden zag je opeens op al die modellen zo’n easy-kick. Wilde ik ook. Heb ik nu ook. Jaar later: vallen van dynema. Jawel hoor, Henk ook. Toen werden de zonnepanelen betaalbaar. Jawel. Led verlichting. Tick. Carbon spiboom: hebbes. Ik kan de verleidingen dus niet weerstaan, dat kost veel te veel geld, daar krijg ik thuis ruzie van, dus nee. Ik Ga Niet Naar De Hiswa.”

“Jammer. Autorai volgende maand zeker ook niet?”

“Gaat gelukkig niet door dit jaar.”

 

(Dit stuk is verschenen in Zeilen nummer 3-2012. Kijk ook eens op de website van zeilen: www.zeilen.nl, en uiteraard zijn ze ook te vinden op het feestboek: www.facebook.com/zeilenmagazine)

 

 

 

 

 

 

 

Overhoren

1 januari: het oude jaar opruimen. Ik kwam deze nog tegen:

 

Overhoren

 

Daags voor zijn 14e verjaardag kwam puber thuis met een rapport waarin een opsomming was gemaakt van de resultaten die hij voor de veertien vakken die hem in de tweede klas werden aangeboden waren opgesomd. Voor maar liefst negen van deze vakken stond hij een onvoldoende.

’Niet bevorderbaar’ stond er dus ook in het opmerkingenvakje.

 

Een aantal maanden later had hij het aantal tekortpunten terug weten te brengen tot vijf. Theoretisch gezien was het opeens weer mogelijk om over te gaan. Niet gemakkelijk, er moesten dan dikke voldoendes gehaald worden, maar het kon. Flink leren van zijn kant, en ik bedacht dat ik ook flink zou gaan overhoren. Zijn agendabeheer is niet alles, maar mijn puber schijnt niet de enige te zijn die er last mee heeft om iets op te schrijven. Daar is het ouderportaal van de school voor in het leven geroepen. Door in te loggen op het ouderportaal is het mogelijk datgene te doen waar mijn moeder vroeger de rapportvergadering voor gebruikte: op de hoogte blijven van mijn vorderingen, of beter, het gebrek aan vorderingen. Huiswerk, in te leveren opdrachten, toetsresultaten, niets van het leven van een puber dat zich op school afspeelt hoeft tegenwoordig voor de ouders geheim te blijven. Alles staat op het ouderportaal.

Dus toen ik op een zondagavond op het ouderportaal zag dat er de volgende dag repetitie biologie op de planning stond riep ik puber achter zijn computer vandaan om hem te overhoren.

 

"Hoeft niet", zei hij.

"Moet wel" zei ik.

"Hoeft echt niet" herhaalde hij, eraan toevoegend dat hij voor het S.O. over het onderwerp een acht gehaald had.

"Was dat een practicum?" vroeg ik nog, en ik begreep niet helemaal waarom hij zo raar keek.

 

Ik herhaalde nog maar eens dat ik wilde overhoren, haalde het aantal nog in te lopen tekortpunten erbij, keek nog eens op de site en zag dat het maar een krap zesje was wat hij op dit moment stond, en las hem (weer eens) de les over het belang van goede cijfers. Maar hij had de deurkruk alweer in zijn hand, overhoren stond niet op zijn agenda. "Nee terugkomen, zitten, ik ga je overhoren! Of je het nou leuk vindt of niet! Zit! Nu!"

Eén meter vijfenenzeventig slungelig jongenslichaam plofte in een van de stoeltjes aan tafel. Hij probeerde het nog even. Overhoren was echt, heus niet nodig. Maar ik had inmiddels het boek in mijn handen en bladerend vroeg ik hem naar het hoofdstuk van dienst was. Hij besefte de nederlaag en zuchtte "vijf…"

 

Ik bladerde door naar hoofdstuk vijf. Biologie, het is een rijk geïllustreerd boek. Hoofdstuk vijf begon dan ook met een schematische weergave van de onderdelen van het mannelijk geslachtsorgaan. ‘De voortplanting’ was de titel van het hoofdstuk.

Hadden ze dat er niet even bij kunnen zetten, op dat ouderportaal?

 

 

 

 

 

 

De uittocht

Sinterklaas is weer weg.

In de huishoudens met gelovers is de rust weer teruggekeerd en mogen schoenen weer onder de kapstok, hoeven de folders niet meer kapot geknipt worden voor de verlanglijstjes, staat voorlopig geen hutspot meer op het menu (wat moet je anders met al die wortels voor het paard?), gluurpieten houden zich niet meer op in donkere hoekjes en herrie op het dak is weer gewoon de wind en niet misschien wel een paard.

 

Hier geloven ze niet meer, maar 7 december is de dag dat ik het laatste restje behangplak voor papier mache toch maar weg gooi, de restjes sintpapier weer in de kast stop en we weer gewoon op elkaars kamers mogen komen -  de surprises zijn inmiddels niet alleen af, maar ook al weer gesloopt om bij het eigenlijke cadeau te komen.

Drie weken gekte. Heerlijk. Intocht, schoenen zetten, surprises maken en rijmen. Ik hou er van. Collectief nemen we met zijn allen jonge kinderen in het ootje, van de intocht tot gisteren. “Dank u Sinterklaahaasje”; zelfs volwassenen die beter zouden moeten weten zingen het na de vierde chocoladeletter.

 

Maar een ding begrijp ik niet, en dat is waarom het als zo’n nachtkaars uit gaat. We gaan wel met zijn allen bij die intocht staan, die intocht wordt zelfs live op TV uitgezonden, maar Sint en zijn gevolg worden na zes december totaal vergeten. Ondankbare honden zijn we, allemaal!

 

Ik pleit dan ook voor een nieuw fenomeen in Klazenland: de uittocht. Zeven december met zijn allen weer naar die haven en zwaaien maar. De pieten gooien de allerlaatste pepernoten richting de kade, het paardje huppelt het dek op en neer want hij ruikt de stal al, Sint zwaait nog één keer naar de verzamelde kinderen en zet dan weer koers naar Spanje.

Zie ginds gaat de stoomboot op Spanje weer aan. Dag Sinterklaasje!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

IChanged

Ik ga nu mensen op hun hart trappen…

 

Ik wil geen Apple.

 

Voor alle die-hard Apple fans me nu op Twitter beginnen te belagen, zal ik het uitleggen.

 

Mijn oude trouwe HP’tje gaf opeens de geest. Hoewel, opeens, als de backspaceknop afscheid neemt en zich ook niet meer laat verleiden om terug geplaatst te kunnen worden op het toetsenbord, dan weet je dat het sterfgeval naderende is. Braaf geback-upt op een externe harde schijf dus toen het moment echt daar was bleef het leed te overzien. Hij is vier jaar oud geworden, wat op zichzelf niet heel oud is, maar als je bedenkt dat ik in die vier jaar de helft van alle letters van het toetsenbord af gerammeld had, dan heeft hij ook een intensief leven gehad. Het was zijn tijd, zoals je dan zo mooi kunt zeggen.

 

Met een iPad in huis die zo’n beetje mijn beste vriendje is, twee vriendinnen met iPhones, een lief met een serieuze iMac en een dochter met een iPod (die je niet moet laten vallen; iBroke) vond ik dat ik de iBook nu ook maar eens serieus in overweging moest nemen. iSchrok van het prijskaartje. Nou had lief nog een iBook ongebruikt staan (iets met een dode batterij, op lithium had zelfs Jobs geen invloed) en die wilde hij me wel even lenen. Je kunt immers pas echt vergelijken als je beide systemen kent.

 

“Mama, waarom lijkt jouw laptop opeens op een Apple?”

 

“Dat is een Apple liefje, geleend om te proberen”

 

“… Chillllll…”

 

 

Oke, met het geilgehalte van de iBook zat het dus goed. Nou IS het ook gewoon een mooi ding. Aluminium, veel pixeltjs, alles wat zwart is is mooi glimmend: ‘sleek’ is het woord waar nog steeds geen fatsoenlijke Nederlandse vertaling voor is. Maar iZeeuw, en om nou een meerprijs van 600 euro uit te geven omdat het oog ook wat wil, dat gaat me wat ver. Laten we wel zijn: het is geen tas. Of schoenen. Je moet er mee werken, dus functionaliteit is belangrijker dan uiterlijk.

 

Ik kan er vervolgens kort over zijn: ik kon er niet aan wennen. iOS of iEZEL, maar ik werd gek van het apparaatje. Alle commando’s in de door mij zo veel gebruikte office programma’s waren net anders, ik wist opeens de sneltoetscombinaties niet meer, en mijn rechtermuisknop deed om de haverklap niets. Als ik iets wilde sluiten zat ik doelloos eerst een half uur in de rechterbovenhoek naar het kruisje te zoeken, voor ik me weer herinnerde dat ik daarvoor links bovenin moest zijn. De trackball die ik gebruik om de RSI binnen de grenzen te houden wilde niet onderin beeld duiken waardoor ik niet bij mijn openstaande documenten kon, en dat een binnenkomende mail aangekondigd wordt met een omhoog wippend icoontje is de eerste drie keer leuk en grappig, maar daarna werd ik boos: mag ik zelf bepalen wanneer ik mijn mail wil lezen, ga af! Die oh zo geroemde stabiliteit viel me eigenlijk ook bar tegen: ‘ force reloaded’ heb ik in een maand tijd toch wel een keer of wat gezien. Ja, hij was sneller met opstarten dan alle andere computers die ik ooit gekend heb. Maar bij mij staat het ding altijd aan, dus hoeveel waarde hecht je daar aan? Na een maand in de war zijn (op het werk heb ik wel een Windows computer dus ik moest steeds schakelen) heb ik het opgegeven, en heb ik weer een HP gekocht. Met Windows. Een ding vind ik jammer. Time Machine. Ik moet weer zelf aan de back-ups denken. iBaal!

 

 

Laatste Tweet


@annekeoudenwijs Alsof hij Twitter leest! Was sinds woensdag weg, stapt een half uur na mijn tweet weer binnen! Luid mauwend en hongerig!
geplaatst op: 25-07-2017 09:54