Experiment deel II


Week 21

Ik ben tweeëneenhalve week op weg in mijn experiment . (Huh? Week 21 min week 16 is toch geen 2,5? Jawel. Meivakantie en Hemelvaart… ) Het is tijd een tussenbalans op te maken als ik hier volgend schooljaar mee verder wil: regio Zuid is dit jaar de eerste in de vakantiespreiding en week 25 is de laatste reguliere lesweek.
Werkt het? Het is natuurlijk nog geen gedegen onderzoek, na zo’n korte tijd, maar ik heb de neiging om ‘ja’ te zeggen. Wat mij betreft wegen de ‘kosten’ absoluut af tegen de ‘baten’ en dat zal ik uitleggen.

Mijn meivakantie was geen echte vakantie; ik heb al mijn lessen nog een keer moeten voorbereiden. Ik ben een vrij traditionele docent die een stukje instructie af probeert te wisselen met zelfstandig werken, maar ik moet toegeven: er zijn vakken dat ik het blokuur frontaal lesgeef. Mijn zandloper, die een kwartier loopt, speelde dus al een cruciale rol in mijn lessen. Na dat kwartier gaf ik ze altijd al even tijd om op de mobiel te kijken of ze online nog een leven hadden; tijd die ik dan gebruikte om mijn absentenregistratie te doen, wat kopietjes te maken of mijn flesje te vullen – van zoveel praten krijg je dorst.
De indeling van de klas die ik nu gemaakt had, verdeelde de klas in twee groepen: zelfstandig werken achterin, focus op de docent in de carré. Voor veel van mijn lessen heb ik daarom een extra begrippenlijst gemaakt van de stof die ik zou behandelen: achterin mochten ze dat zelf opzoeken, voorin was het een leidraad voor de te maken aantekeningen. Dat was in de meivakantie nog een behoorlijke klus: ik geef dit blok 10 verschillende vakken. (Dat dat misschien absurd is, is een andere discussie.) Ook moest ik mijn planning strakker in elkaar zetten; als een leerling achterin vooruit wil werken, moet die leerling van te voren weten wat er volgende week op de planning staat. Ook dat was een klus. Er gaat dus behoorlijk wat (extra) tijd van de docent zitten in deze manier van lesgeven.

Die extra lesvoorbereiding had ook een voordeel. De focusgroep wist van te voren wat ze konden verwachten (ik hoorde ze eens zeggen ‘ze heeft de helft van haar begrippen al gehad, dus met een beetje mazzel moeten we die bus van vier uur wel kunnen halen&rsquoWinking en achterin waren er een aantal inderdaad aan het vooruitwerken. Overigens is er eentje die, als hij zo door gaat, over een week door de stof heen is, ik hoop maar dat hij nog even ziek wordt ofzo, anders moet ik daar ook nog iets op verzinnen.

Bij de meeste vakken liet ik het aan de leerling zelf waar ze gingen zitten. Wel eiste ik voorin de focus tijdens de zandloper-tijd. Telefoon weg, geen gezellig gedoe met de buren. Dat was even wennen voor sommigen, maar de ‘eerlijkheid’ daarvan, daar konden ze wel wat mee. Vooral ook omdat ik ze achterin inderdaad niet aansprak op telefoongebruik. Ook vertelde ik dat ik aantekende waar ze gingen zitten in mijn presentie-registratie. Steeds achterin? Prima, maar dan ook niet komen mauwen dat je het niet snapt.

Die vorm van ‘eigen verantwoordelijkheid’ zal niet elke puber aankunnen en als je met deze manier in het eerste blok zo zou beginnen zou ik achterin zitten alleen maar doen op basis van bewezen goede resultaten, maar voor nu werkte het. Een paar die het jaar misschien nog kunnen halen heb ik van achteren naar voren zien komen, en van de mensen die zich al niet meer inzetten omdat ze toch het jaar niet meer halen heb ik in de les geen last gehad. De toetsperiode zal het leren, maar ik heb het idee dat er in de focusgroep veel meer leerrendement gehaald is.

Dat het lokaal ‘van mij’ was, had een leuk bij-effect. Niet alleen voor mij (ik kon zowel smartboard als whiteboards gebruiken; een optimale lessituatie, en ik hoefde niet elke twee uur mijn spullen te verplaatsen) maar doordat de leerlingen het lokaal ook als het mijne zagen, werd het geen rommel. De stoelen werden netjes aangeschoven; de rekenmachines gingen terug naar de tafel bij de deur en er bleef geen papier op de tafels liggen.
Een enkele les, waarin ze in vier groepen moesten werken, werden ook de carré tafels aan elkaar geschoven maar ‘zet even terug’ was genoeg om de eerdere opstelling weer te hebben. De verpakkingen aan het plafond werden met rust gelaten (als er ook maar 1 plafondplaat beschadigt moet ik ze er allemaal af halen he) en de statafel achterin werd af en toe gebruikt als een kwebbelplek als er geen instructie was, bijna als een koffiehoekje. Kortom; een prima sfeer in de klas.

Wat mij betreft is het experiment gelukt. Ook van leerlingen hoor ik positieve geluiden, en een aantal collega’s is jaloers. Helemaal geen nadelen dan?
Jawel, een heel groot nadeel. Nu ik weet, of denk te weten, dat het werkt, wil ik dit breder trekken.
Meer lokalen zo inrichten. Of misschien zelfs een cluster aan lokalen; een open ruimte voor zelfstandig werken, dichte lokalen voor instructie en focus. Misschien een computerhoekje. De docentenwerkplekken erin betrekken. Idealiter naar modulair onderwijs – die paar die sneller door de stof gaan moet je kunnen belonen en de langzamere leerling kan je beter helpen.
Kortom; een ander beleid, geregel, overleg, projectplan, budget vragen, et cetera. Ik heb er geen tijd meer voor dit jaar, en dat vind ik een heel groot nadeel, nu ik weet dat het werkt…



Experiment

Week 16

“Ze zitten alleen maar met hun telefoon te spelen!” “Het kost me zoveel moeite om ze bij les te houden!”
Zomaar twee uitroepen van docenten die je regelmatig in de docentkamer hoort. Maar ook in de gangen hoor je geluiden. “Die vent staat alleen maar te praten voor die klas…” en “het is zo saai”. Dat zijn dan leerlingen.
Als leerlingen bevraagd worden over wat zij als een prettige les ervaren, dan hoor je dingen als ‘afwisseling’ en ‘interactie’. Docenten hebben juist meer moeite met dat differentiëren: de lesstof moet er immers wel doorheen. De verdieping zoeken met de leerling die zijn best doet gaat niet: de leerling die meer hulp nodig heeft gaat daarvoor, en die wordt zelfs niet altijd goed bediend door storend gedrag van de leerling die op dat moment even de focus op de docent niet heeft.

De inrichting van een traditionele lesruimte is frontaal. Alle ogen gericht op die docent voor de klas, die met zijn smart- en whiteboard zijn of haar kennis probeert over te dragen op de leerling. Het is een klaslokaal; ingericht op klassikale lessen.

Een leerling die 8 lesuren per dag op school doorbrengt, zou dus ook 8 uur de focus op de docent voor de klas moeten hebben. Ga er maar aan staan… Een beetje afdelingsvergadering laat al zien dat het ons als docenten al niet eens lukt om 4 uur ‘bij de les’ te blijven.
Voor de leerling is dat klaslokaal niet alleen maar een plek om kennis te vergaren. Het is ook de plek waar het sociale leven (on- en offline) wordt onderhouden, de plek om te grappen en grollen, om te experimenteren en te vervelen. En toch is ons lokaal daar niet op ingericht. We vragen door de opstelling, of dat nou de klassieke treintjes of de U is, dat de leerling maar 1 ding doet: focus. Hoe reëel is dat? We leiden ze op als beginnend beroepsbeoefenaar. Geen bedrijf wat straks 8 uur focus van ze gaat vragen hoor…

Persoonlijk ben ik het al veel langer beu om als politie-agent of kleuterjuf op te moeten treden. ‘You can lead a horse to water, but you can’t make it drink’ denk ik al regelmatig. Als ik wat vermoeider ben, word ik wel eens boos. ‘Ik doe verdorie alles voor ze, maak kahootjes, leg het zo helder mogelijk uit, maar ik kan ze toch moeilijk de hele dag lopen entertainen?!?’ Toen ik dat eens aan een klas voorlegde, kwam terug “ja mevrouw, u bent Jandino niet.”

Als we er nou eens vanuit gaan dat ze best wel willen leren. Maar niet constant hetzelfde nodig hebben…? De ene leerling is nou eenmaal goed in BE en heeft de uitleg van de som op het bord niet nodig. De ander kan nu echt even de concentratie voor Recht niet opbrengen, en wil gewoon zijn spelletje uitspelen. De derde kan je stem niet hebben en leest het liever zelf in het boek. De vierde is dol op kahootjes. De vijfde weet allang dat hij van opleiding gaat veranderen en zit zijn tijd uit. Waarom zou ik mijn lessen, mijn lokaal, mezelf dan niet aanpassen aan al die verschillende vragen, in plaats van de leerling aan te passen aan wat IK wil; les geven?

Blok 4 heb ik de beschikking gekregen over een ‘eigen’ lokaal. Dat lokaal heb ik ingericht rekening houdend met de diverse groepen in de klas. Achterin twee keer een zesje: tegenover elkaar. Middenachter een statafel: als ik een elevator pitch zo kan houden heeft dat al meer relatie met de praktijk dan wanneer dat voor de klas moet. Voorin, in een carré, de rest van de tafels; daar vraag ik focus. Het bureau van de juf naar de zijkant: ook ik heb in een klassituatie twee werkmethodes en –momenten: klassikaal lesgeven doe ik staand, individueel, of dat nou nakijken of met de leerling is, aan mijn bureau. Ik hoef niet steeds midvoor te zijn.
Bij de deur de randvoorwaarden. Een stapel papier, wat rekenmachines en pennen. En mijn zandloper: eerder gestelde randvoorwaarden voor mijn lessen hou ik. Als de deur dicht is, wacht je tot de zandloper is afgelopen, dat duurt maximaal een kwartier. Door het glas is het ding prima te zien. Tot slot hang ik wat lege verpakkingen aan het plafond. Het vrolijkt de boel op, en als het niet hufterproof blijkt, is het in ieder geval geprobeerd. Het hele inrichten heeft me een uurtje gekost. Inclusief een paar plaatjes op facebook, die de reactie “Jouw lesvoorbereiding zit er op, fijne vakantie!” opriep. Nee, dat is nog niet alles. Het vraagt andere werkvormen. Maar daar heb ik de meivakantie voor…