humor

Teun

“Ga je mee Teun, een rondje in het optimistje? Even om het eiland heen? Ik stuur wel, dan mag jij voorin zitten. Of jij mag ook zelf sturen, ik ben er vlak bij?”
“Nee, ik ben niet zo’n durver. Ik heb ook mijn B nog niet..”
“Maar je hebt je A toch? Bovendien, we gaan zeilen hoor. Daar heb je helemaal geen zwemdiploma’s voor nodig. Een goede schipper blijft aan boord. Ja? Een stukje hier alleen in de kreek dan?”
“Maar waar is mama dan?”
“Mama blijft gewoon hier op de steiger, of misschien gaat ze wel even met een boekje in de kuip zitten. Maar we gaan toch niet ver weg? Gewoon een stukje met het kleine bootje varen.”
“Waar gaan we dan naar toe?”
“Nergens naar toe, gewoon een stukje zeilen omdat het leuk is. Zie je daar die boot voor anker liggen? Zullen we daar omheen varen en dan weer terug? Ja, klim er maar in. Als je daar tegen het mastje gaat zitten, dan zit je niet in de weg en je hoeft ook nog niets te doen. Je laat je varen, is dat geen luxe?”

“Waarom gaan we zo schuin?”
“Dat komt door de wind. Die duwt ons naar voren, maar ook een beetje opzij. Kijk, als ik dan aan de hoge kant ga zitten komt de boot weer recht. Wil jij even sturen?”
“Ik weet niet hoe dat moet…”
“Oh, dat is heel makkelijk, dat kan je vast. Zie je dit stokje? Dat is de helmstok, en als je nou bijna ergens tegenaan vaart, dan richt je het puntje op het gevaar en dan gaat de boot de andere kant op. Ja, goed zo! Merk je het, dat als je het roer de ene kant op doet, de boot juist de andere kant op gaat? Weet je wat makkelijk is? Als je nu een punt op de kant kiest om naar toe te varen en dan maar proberen om daar recht op af te sturen. Nee, kleine bewegingen maken met je roer, anders ga je zo slingeren, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je je naam in het water schrijft.”
“Dat kan helemaal niet, je naam in het water schrijven. Het is toch geen pen?!”

“Gaan we nog een rondje?”
“Even mijn koffie opdrinken, oké? Dan gaan we nog wel een rondje. Ga jij dan weer sturen?”
“Ja, want dat kan ik heel goed. Misschien kan ik wel kapitein worden, net als papa. Papa kan ook heel goed sturen toch?”
“Ja, jouw papa kan fantastisch sturen.”
“Gaan we nu dan ook om het eilandje heen? Op het echte Veerse Meer?”
“Als jij dat wilt, dan gaan wij om het eiland heen hoor. Maar zal ik dan sturen? Dat jij op de punt gaat zitten, met je rug tegen de mast aan? Er staan daar wat meer golfjes, en omkiepen willen we natuurlijk niet. Dan varen we langs de grote boot, langs mama. Dan kan jij zwaaien.”

“Mamaaaaa!!! Kijk naar mij!!!”




(deze column verscheen eerder in Zeilen)


Wat doet het weer

Weerbericht

“Wat doet het weer?”
“Het weer? Nou, zonnig, dat zie je toch?”
“Ja, dat zie ik, maar wat gaat het weer doen?”
“De voorspelling? Windguru zei vanochtend 10 knopen aantrekkend naar 14, Windfinder heb ik nog niet bekeken want die heb ik niet op mijn telefoon, en op weeronline, wacht even: ‘zonnig en warm met later op de dag lokaal kans op onweersbuien’.”
“En wat zegt Twitter?”
“Twitter? Geen idee, ik heb niet gezocht op weer.”
“Jij zat toch net Twitter te bekijken?”
“Ja. Zaterdag, dus de column van Youp, en verder gewoon of er in de wereld nog iets is gebeurd. Ik heb geen weerberichten voorbij zien komen, dus mijn hoofd zegt: geen bijzonderheden.”
“Mmm. En Instaweather? Heeft Joost ofzo niet net het weer op Facebook gezet?”
“Instaweather? Dat is toch dat je een foto maakt en dat het appje er onder zet waar je bent en hoe warm het is? Een soort Foursquare maar dan van weerberichten? Waarom wil jij weten waar Joost is en hoe warm of koud hij het heeft?”
“Dat hoef ik ook helemaal niet te weten van Joost, maar ik wil gewoon weten wat het gaat worden vandaag. Nu is het mooi, maar blijft dat zo? We hebben tegenwoordig al die moderne middelen, laten we er gebruik van maken, dan weten we waar we aan toe zijn vandaag.”
“Wat mij betreft weten we dat nu ook al. Het is nu een beetje bewolkt, en het wordt zonnig en warm. Weet je: ik vind het soms helemaal niet meer leuk. Al dat moderne gedoe? Jij navigeert op je iPhone, we hebben windappjes en waterappjes, en appjes waarmee we aan onze vrienden kunnen laten zien dat wij ook mooi of juist lelijk weer hebben, we zijn helemaal onthand als we geen verbinding hebben en we weten met dank aan Buienradar tot op de minuut nauwkeurig niet alleen Dat het gaat regenen, maar ook nog Waar. Wat is er gebeurd met het nemen zoals het komt?”
“Ik neem het toch zoals het komt? Maar Als het komt, dan heb ik het graag zien aankomen. Dat is toch niet raar? Als het KNMI een code rood of oranje afgeeft vanwege onweer of wateroverlast, dan is het toch fijn om dat te weten? Of zit jij liever op het water in windstoten van 100 meter per seconde?”
“Van code oranje vanwege wateroverlast heb je op een boot niet echt last. Maar dan nog. Natuurlijk wil ik ook graag weten wat de voorspelling is, maar als je het niet helemaal weet, zoals nu, wat dan? We weten al dat het aan het einde van de dag kan gaan onweren, het is nu redelijk: dan kunnen we toch weg? Lucht in de gaten houden en indien nodig weer de haven in. Ja toch? Daar hoeven we toch niet het hele internet voor open te trekken?”
“Eigenlijk heb je gelijk. Trossen los dan maar?”
“Ja. Een tel. Ik voelde een druppel. Nog even buienradar checken of ik mijn pak aan moet doen.”



(deze column verscheen eerder in Zeilen. Bezoek ook de website: www.zeilen.nl)






Rijke stinkerd

“Hee collega, leuk je weer te zien! Hoe was je vakantie?”
“Heerlijk. Drie weken met de boot weggeweest, prima weer gehad, heel gezellig.”
“Oh ja, dat is waar ook, jij bent zo’n rijke stinkerd door wie ik altijd voor de brug moet wachten.”
“Weet je dat ik dat dus echt niet leuk vind, dat je dat zo zegt? Waarom ben ik per se een rijke stinkerd omdat ik een boot heb? Wij doen exact hetzelfde werk en ik mag er dus vanuit gaan dat we ook ongeveer hetzelfde verdienen. Waarom ben ik dan een rijke stinkerd en jij niet?”
“Ik ben zeker geen rijke stinkerd. Dus ja, nou je het zegt, jij waarschijnlijk ook niet. Maar geef nou toe; de meeste mensen met boten hebben geld.”
“Dat hoeft helemaal niet hoor. Het zijn gewoon keuzes die je maakt. Jij hebt toch een caravan met seizoenplaats?”
“Gewoon een sleurhut met voortent hoor, niets bijzonders.”
“Daar heb je het dus al. Ik klaag toch ook niet dat ik voor de brug moet wachten tot al die caravans er over zijn? Of nog erger: de campers? Waarom heten die dingen trouwens allemaal ‘Rapido’? Ze kunnen allemaal hun gaspedaal niet vinden!”
“Een camper is ook duurder dan een caravan.”
“Daar gaat het me helemaal niet om. Ik word af en toe zo moe van het vooroordeel dat mensen met boten rijk zijn. Zullen we het even vergelijken? Mijn boot is uit 1978; 35 jaar. Dat haalt een caravan niet hoor. Nou is het wel zo dat een caravan misschien minder onderhoud nodig heeft dan een boot; ik heb jou tenminste nog nooit gehoord over ‘knippen en scheren’. Poetsen en in de was zetten doe jij echter ook, jij hebt ook een kachel op diesel, een gasslang die elke drie jaar vervangen moet worden en elektra dat op 12 volt werkt en het dus af en toe niet doet. Dus: aanschaf, afschrijving, onderhoud en reparatie: ik denk dat we per saldo ongeveer even duur uit zijn.”
“Ja, maar dan ben je er nog niet, toch?”
“Nee, dan ben je er nog niet. Jouw ligplaats heet de camping, en jouw winterberging is de schuur van boer Janse. Dus weer zijn we ongeveer even duur uit.”
“Ja, als je het zo bekijkt…”
“Zo moet je het volgens mij ook bekijken! Jij laat af en toe de stiksels van je voortent nalopen, ik die van de zeilen. We moeten er allebei voor sparen als we iets nieuws willen, of het nou een buiskap is of een nieuw vlonder. Laten we wel zijn, jouw caravan, mijn boot; het zijn allebei dure hobby’s. Maar ook hobby’s die de prijs waard zijn: je komt nergens zo tot rust op een zaterdag na een drukke werkweek als zittend voor je voortent of op je achterdekje.”
“We zijn dus eigenlijk allebei rijke stinkerds?”
“Nee, ik ben in ieder geval geen rijke stinkerd. Jij misschien…”
“Hoezo nou ik wel en jij niet?”
“Ik stink niet. Het tocht lekker door hoor, op dat water!”


(deze column staat ook in Zeilen van oktober 2013. Zie ook hun website www.zeilen.nl)

Appje

Heel, heel soms zeggen ze bij Zeilen: Jet, doe maar niet, die column. Om hen moverende redenen die ik dan begrijp, en dan schrijf ik een ander. Dit is zo'n 'afgekeurd' exemplaar...

“Een vrouw en een kip, is de pest voor je schip.”

“Pardon? Wat zit jou dwars?”

“Jij. Nou ja, jullie. Niet jij per se, maar vrouwen. In het algemeen.”

“Mijn ervaring is dat een dergelijke uitspraak over een soort meestal ontstaat vanuit ongenoegen over één exemplaar van die soort. Dus leg uit, met welke dame heb je nou weer ruzie gemaakt?”

“Ik maak nooit ruzie. Nee, nou niet zo verbaasd kijken, ik maak nooit ruzie. Met mij kan je alle kanten op, ik vind het allemaal best. Maar vrouwen? Vrouwen, die zijn zo ontzettend veeleisend! Daar wordt je als man zijnde echt helemaal gek van!”

“Ja, en de gemiddelde man is een mak lam dat zich gewillig laat leiden. Leg uit. Was je pinksterweekend niet zo geslaagd?”

“Hoe raad je het. We waren een weekendje weg. Natuurlijk eerst weer die traditionele discussie over wat je allemaal wel en wat je niet mee hoeft te nemen op een boot, maar eenmaal geladen met de waterlijn een centimeter of wat hoger, en het eerste flesje open, leek het wel gezellig te worden. Tot we het, eenmaal door de sluis, eens moesten worden over de plaats van bestemming. Nou heb ik een Appje, met daarin alle havens, en dan kan je zien wat de voorzieningen zijn, en ook reserveren, en aangezien half België en Duitsland ook weer aan het drijven was in die Zeeuwse Delta leek het me wel een goed plan om een box te bestellen. Tja, ik weet niet hoe het met jou zit, maar als ergens twee meter verval is, vind ik het meestal niet zo fijn om te dubbelen. Je weet immers maar nooit hoe het schiemanswerk van de buurman is, dus…”
“Ik vind het altijd wel lekker, dubbelen. Een beetje weg van die herrie op de steiger, en als je dan als buitenste ligt heb je in ieder geval fijn uitzicht. Plus dat ik het meestal gezelliger vind om naast iemand te liggen die aan boord is dan tussen twee verlaten boten op hun vaste ligplaats.”

“Ja, dat is nou weer typisch vrouwelijk. Als het maar ‘gezellig’ is. Maar dat de buurman van die fenderhoezen heeft waar zand zo fijn in blijft zitten, waardoor jij allerlei krassen op je lak krijgt, daar denk je dan niet aan hè. Of fijn naast een platbodem, die hebben van die stalen randen langs de zwaarden. Gelcoatpeelers zijn dat.”

“Kwestie van een beetje opletten, wil op de juiste plaats hangen. Maar vertel, jullie zaten op dat water, jij op je Appje, en toen?”

“Nou ja, ik stelde een paar havens voor, allemaal prima voorzieningen. Wifi enzo, want ik wil toch wel graag elke dag het nieuws even zien en het weer checken op Windguru, en lekker douchen, dus. Maar nee, ze moest en zou door het Brabants Vaarwater. Dus ja, dan is de keuze beperkt.”

“Waarom per se dat Brabants Vaarwater dan?”

“Daar blijken de zeehonden te wonen.”

“En dat wist jij niet?”

“Nee, hoe moet ik dat weten? Daar is geen Appje van!”

inspectie

(Ik ben momenteel met twee boeken bezig. De een heeft als werktitel 'de oorlogsjaren' en nee, ik ben nog geen vijf jaar bezig, dus ik heb nog even. Toch? De ander heeft als werktitel '13 weken vakantie per jaar' en gaat over het (mijn) leven in onderwijsland. Dit schreef ik vandaag, vrijdag 27-3-2015)



Week 14 – Inspectie



‘De inspectie van het onderwijs’. In onderwijsland kortweg ‘de inspectie’ genoemd en ik heb een aantal collega’s die in dienst hebben gezeten en die een treffende vergelijking kunnen maken met een feodale korpscommandant die met een witte handschoen over de bovenkanten van kasten en over plinten heen ging om te kijken of er nog ergens stof lag. Kortom: ‘de inspectie’ op bezoek; het is enige reden tot stress.

In mijn eerdere leven heb ik ook te maken gehad met inspecties en dan wist je: tijd om je terrein te vegen, je vuilnisbakken te legen en je net wat beter voor te doen dan je in werkelijkheid bent. Dus opruimen die voorraadkast want je weet nooit of die open gemaakt gaat worden. Net zoals we allemaal een beetje nerveus worden als we een ‘fuik’ van de politie zien staan; ook al hebben we niets gedronken en zijn onze eigendomspapieren en rijbewijs heus in orde: controle zorgt voor stress. Hoe zeker je ook bent van je zaak: het blijft een beetje of je schoonmoeder komt eten. Dat is een menselijke reactie en er is ook niks mis mee. Maar…

We hadden deze week de inspectie op bezoek. In tegenstelling tot een politiefuik kondigt de inspectie haar bezoek aan, en kan je je er dus op voorbereiden. Maar ja, wat moet je voorbereiden? Gaan ze vragen naar je rijbewijs (in mijn tas, nee, geen tas gewisseld deze week, dus het ligt niet per ongeluk thuis, in die andere tas), naar je autopapieren (in het dashboardkastje, jahaaa, ik weet dat dat niet verstandig is, maar ik wil een handtas, geen big shopper), of gaan ze controleren op dingen waar je zelf ook geen verstand van hebt? Bandenspanning? Oliepeil? Katalysatorwaarden? (Wat? Katalysatorwaarden. Ja, dat doen ze soms. Ik weet ook niet wat het is. Maar de boete is fors.)

Deze inspectie zou eerst een les komen bezoeken, daarna praten met leerlingen en docenten, (los van elkaar, heel eng, wat gaan die kabouters zeggen?) daarna met allerlei functionarissen, en aan het einde van de dag zouden ze ons hun eerste indruk van hun salomonsoordeel al kunnen geven. Ok. Dat kan…

Die les bezoeken: ze hadden bedacht dat ze dat het eerste uur zouden doen. Een uur dat de betreffende klas normaal geen les heeft! Maar een roosterwijziging er tegen aan gegooid, het achtste naar het eerste en we zijn er klaar voor. Nu maar hopen dat de klas het ook ziet. En welke les hebben ze dan?

Marketing. Ik was de klos. Ze zouden in mijn les komen. Ik ga nu niet liegen en zeggen dat ik al mijn lessen 100% voorbereid. Dat deed ik toen ik net begon als docent, toen stond ik voor de spiegel mijn les op te nemen met een timer en raakte ik in paniek als ik voor een les van 50 minuten maar 30 minuten tekst bleek te hebben. Dat is voorbij; inmiddels weet ik dat ik op interactie van de klas kan rekenen, dat 30 minuten dus heel gemakkelijk naar 50 kunnen groeien en dat niet in elke 50 minuten verschillende werkvormen naar boven kunnen komen. Soms heb ik iets wat frontaal moet- in mijn ogen dan- en soms kunnen we met samenwerken meer bereiken. Soms is een ‘tooltje’ waarmee je een les interactief maakt nuttig (met een ‘device’; oftewel; ze mogen met hun telefoon spelen), soms ook niet. Soms zijn mijn lessen leuk, en soms saai. Het is net het echte leven?

Deze les stonden de leerlingen om te beginnen voor het verkeerde lokaal. Tja, roosterwijziging. Ze waren er, dat vond ik al een plus, maar dat werd niet meegerekend. ‘De inspectie’ merkte (terecht) op dat niet de hele onderwijstijd benut werd. Gee. Ik ‘activeerde de voorkennis’ door te zeggen waar we het de vorige keer over gehad hadden, en ik vroeg naar het huiswerk. Ze moesten iets meenemen wat betrekking had op een prijs die ze verbaasde. Een leerling kwam met een bonnetje van een aangetekende brief (“waarom moet het zo duur zijn als de postbode aan moet bellen?&rdquoWinking een ander met een pakje kauwgum waar hij meer dan twee euro voor had betaald. Kortom; ze waren echt zo zoet als suiker. Wat een voorbeeldige leerlingen. Wakker EN meedoen. Heerlijk. De enkeling die te laat kwam begroette ik bij naam (“Goedemorgen Klaas, kom binnen, fijn dat je er ook bent&rdquoWinking maar omdat het geen ‘lastig gedrag’ was dat er af en toe eentje te laat kwam besteedde ik er verder geen aandacht aan. Ze kwamen te laat, maar gingen zitten en deden mee. Niet lastig, geen aandacht aan besteden. Dat was een andere cursus. Later bleek dat ‘de inspectie’ hierover gevallen was. Tsss.

Na het bonnetje van de aangetekende brief, de kauwgum en het rekenmachientje van negenentachtig cent (“hoe kan het?- hele kleine vingertjes&rdquoWinking wilde ik de voorbeelden al afronden toen er nog een artikel was wat verbaasde over prijs. Tim, altijd op het randje zoekend naar grappen waar hij wel en waar hij niet mee weg komt, hield provocerend een condoom omhoog. “Mevrouw, hoe kan het dat Durex echt vijf keer zo duur is als het eigen merk van Kruidvat?”

Het is nog geen negen uur ’s ochtends en we hebben het over condooms. Nog gedetailleerder: het is nog geen negen uur ’s ochtends, DE INSPECTIE ZIT BIJ DE LES en we hebben het over condooms. Ik kreeg het een beetje warm. Dit had op geen enkele manier in mijn voorbereiding gezeten? De vraag van Tim roept vervolgens een vervolgvraag op; waarom zitten condooms niet in de zorgverzekering en de pil wel? (Ik weet het niet.) Maar de discussie die volgt vind ik hilarisch. Dingen als ‘keuzes maken’ en ‘baas in eigen buik’ komen voorbij. Argumenten als ‘een soa krijg je voor de lol, een zwangerschap niet’, en een welgemeend ‘het is niet echt NODIG he, een condoom’. Als een derde leerling vervolgens met een uitgestreken smoel vertelt dat je, indien je wisselt van zorgverzekering, je gratis zoveel condooms kan krijgen als je nodig denkt te hebben, en een volgende daar weer op reageert met ‘je gaat toch niet van zorgverzekering wisselen omdat je goedkoop wil neuken?!?’, dan heb ik het niet meer. Het is nog geen negen uur, er zitten twee bloedserieuze dames van ‘de inspectie’ bij me in de klas; het onderwerp is Durex, en ik denk alleen maar 'wat denken die dames' en ik kan niet meer stoppen met lachen. Ik moet even het lokaal uit want de tranen in mijn ogen en de snot in mijn neus: dat past niet in mijn vest en een zakdoekje zit niet in mijn tas. Ik moet even naar de wc.

“Gebeurt dat vaker?” schijnt ‘de inspectie’ te hebben gevraagd terwijl ik, de tranen van het lachen over mijn wangen rollend, even weg liep.

Beste politie, als u mij aanhoudt: ja, ik HEB een rijbewijs, mijn autopapieren ZIJN in orde, en ik weet niet wat mijn katalysator doet, maar de garage zegt dat het goed zit. Ik lach u niet uit. Ik denk aan Durex.

SM - meesteres

De afgelopen maanden heb ik een opleiding gevolgd: nationaal (social) media coach. Om mijn collega’s op de hoogte te houden stuurde ik wekelijks een verslagje. ‘Kedeng kedeng berichten’ noemde iemand ze, want ik schreef ze in de trein. Want alles wat ‘lekker centraal in het land’ georganiseerd wordt, betekent voor een Zeeuw dik twee uur reizen…

In het onderwijs loopt je mailbox altijd belachelijk snel vol. Nieuwsbrieven, mails van leerlingen, collega’s en ouders, en alles gaat in dertigvoud in cc, want niemand mag iets missen. Als je dan met je verslagje nog een beetje op wil vallen, en gelezen wil worden (en diep in mij huist een schrijfster, en schrijfsters willen gelezen worden), dan moet je zorgen voor pakkende titels. Aanklikken is de eerste stap naar verder lezen, dus ik had een uitdaging.

Dus week 1 was de onderwerpregel ‘SM’. Even checken hoe dirty de minds inderdaad zijn op de donderdagochtend. En dan gortdroog uit gaan leggen wat een media coach nou precies is, kan en kent. Zoete wraak.

Week 2 was het opeens, in het vroege voorjaar, onverwacht een paar dagen mooi weer. ‘Gekleurd’ was dus de titel, en daarin riep ik onder andere iedereen op om eens te kijken naar het nieuws door andere ogen. Het is echt bizar hoe anders een zender als Russia Today naar het wereldnieuws kijkt.

Week 3 begon met een citaat. Over de jeugd van tegenwoordig.

‘De jeugd houdt tegenwoordig van luxe.
Ze heeft slechte manieren,
veracht alle gezag,
heeft geen respect,
en praat als ze zou moeten werken.’
Ik zag mensen al instemmend knikken achter hun laptop. Het is me wat, met die WIFI generatie waaraan we les moeten geven… Altijd online, in zichzelf, of beter, in hun device, gekeerd, waarmee ze ook nog eens duizend keer sneller en handiger zijn dan wij, poepoe… Dat het citaat van Socrates was, die leefde van 469 tot 399 voor Christus, die hadden ze waarschijnlijk niet aan zien komen.

Week 4 was mijn inspiratie even op. Misschien hielp het ook dat het op school meivakantie was, maar in de opleiding niet? Plus dat ons, als professionals werd uitgelegd dat wij niet de experts zijn. Eigenlijk moeten we aan de jongeren vragen: leg ons eens uit…? ‘Leg dat maar eens uit’ was dus de titel. Want ik ging die keer met meer vragen dan antwoorden weg uit Utrecht.

Week 5 was weer vertrouwd terrein. Money makes the web go round; over commercie op het internet. Tja, als docent marketing en ondernemen hoorde ik niet zoveel nieuws. “If you are not paying, you are the merchandise”, dat wist ik al. Want hoe kan een Feestboek anders bestaan?

‘Ouderavond’ was de titel de zesde week. Haha, ik zag ze schrikken. Een extra ouderavond? Natuurlijk was dat niet het geval. Wel ging het over hoe je ouders betrekt bij het net, en bij de activiteiten van hun kinderen op dat net. De week erna was ik op vertrouwd terrein, want MMORPG is hier in huis dagelijkse kost. Massive Multiplayer Online Role Playing Games; mijn puber doet niet anders. En nee, ik vind dat niet erg. Ik vraag gewoon aan tafel eerst hoe het op school was, en daarna hoe het op het internet was. En ja hoor, hij leest ook, maakt u zich niet ongerust.

‘Back to the future’ was natuurlijk een mooie titel voor het blog over de futuroloog, en ontaarde in een discussie wanneer Marty McFly nou precies de toekomst ontmoette. Was dat vorig jaar, of is het dit jaar pas? (PAS????!!!??? ) Een heerlijke bijeenkomst met alleen maar vragen en fantasie: welke banen verdwijnen? Welke ontstaan? Geld of de bitcoin? Robotisering? De twee-urige werkweek? Alles kan, dat dacht George Orwell ook al toen hij 1984 schreef. 1984: toen was ik 13… Waar is mijn 'toekomst' gebleven?

De laatste inhoudelijke bijeenkomst ging over transmedia storytelling. Een erg ingewikkelde term voor het afstemmen van je communicatie via alle kanalen die je maar kan verzinnen, en over hoe je allerlei partijen kan verleiden tot het betrokken zijn bij jou als organisatie. Wat doet je vader? Was de titel, want denk eens aan het potentieel aan gastsprekers die we in huis hebben? En mijn teamleider weet nu ook dat mijn vader loodgieter was, want zo’n vraag komt dus meteen bij je terug, daar kan je op wachten…

Zes weken geleden heb ik het te schrijven beleidsstuk ingeleverd en een maand geleden was het examen. Een lamme hand, want het is allemaal schrijfwerk, drie uur lang, maar blijkbaar goed, want ik hoorde vandaag dat ik mezelf nu Nationaal Media Coach mag noemen. Hoewel… een collega reageerde met ‘oh, dus je bent nu SM-meesteres?’ Ehmm…

ethiek

In het blog van onze CVB-er lees ik dat hij zich afvraagt hoe we met ethische vraagstukken omgaan. Een pak papier mee naar huis nemen als docent, omdat je thuis nog wat wil printen voor je leerlingen, mag en kan dat?

Ik lees het als een soort pauzenummertje in de hectische laatste weken. Ik kom net uit een vergadering over de teamtaken, en moet nog een studiewijzer schrijven. Om mijn (flex)werkplek heen wordt druk opgeruimd: er wordt een kantoorruimte omgetoverd tot klaslokaal deze zomer, en alle kasten moeten leeg. Van de opbrengst van het oud papier kunnen we vermoedelijk met zijn allen uit eten, (maar dat mag niet van de ethiekpolitie, dus het gaat op de grote hoop) maar er komen ook veel andere dingen uit de kasten. Insteekhoesjes. Toetspapier. Mappen, al dan niet gevuld met nog meer insteekhoesjes. Oude spullen: floppy discs; lesmateriaal uit vervlogen tijden. Weggevertjes van voorbije open dagen. Hier en daar staan er zelfs nog oude logo’s op. Nog meer insteekhoesjes. En spúllen. Lege verpakkingen die gebruikt worden voor lessen; ook dit hoort bij de P van Product. Twee paar oude gympen: ook lesmateriaal. Welke zijn de echte en welke de neppers? Een monopolyspel; daar is ooit boekhouden mee uitgelegd.

Persoonlijke zaken: een paar geluidsboxjes, een tas, een lampje met kerstlichtjes, een pot waar drop in heeft gezeten (heel even maar), bolletjes wol, gebruikt voor mentorlessen, inpakpapier van de cursus inpakken.

In het bakje voor me liggen de 22 pennen aan een koordje klaar die ik als eindejaarcadeautje mee ga geven aan mijn leerlingen. Volgens een bekende internetmeme ga je dood als je je pen verliest; het is mijn grapje voor mijn mentorklasje. Gisteren gehaald bij de Action. Voor dat soort dingen is geen budget, dus ik koop dat zelf maar.

Ik vraag me af hoe de CVB-er daar over denkt….

VerBijstering uit het veld...

(jaja, flauwe woordspeling maar te mooi om te laten liggen. Met Bussemaker kan je niks, als woordspeler&hellipWinking

MBO nieuws: de scholen moeten beter gaan registreren als het gaat om verzuim.

Voor veel MBO instellingen was dit nieuws van november 2016 allang geen nieuws meer; in het kader van de kwalificatieplicht, de boetes en premies op het laten ontstaan c.q. het laten verdwijnen van Voortijdig School Verlaten en de door de gemeentes aangescherpte beleid op jeugdwerkloosheid (een direct gevolg van de maatregelen van het overhevelen van de WW naar de Bijstand), zijn de meeste MBO instellingen in Nederland al jaren bezig met het noteren, volgen, begeleiden en bestraffen van alle jeugd die om welke reden dan ook buiten het schoolbootje dreigt te vallen.

Al net zo lang als we noteren vragen we ons af: “waarom?” Wat schieten we ermee op, om te noteren dat ze er niet zijn? We noteren, maar weten we de achterliggende reden? Doen wij iets fout, zijn onze lessen niet leuk genoeg? Is het mis gegaan in de voorlichting, heeft de leerling de verkeerde keuze gemaakt? Of is het omdat ergens anders steken zijn gevallen? Heeft jeugdzorg, de vooropleiding, de ouders, de vorige school, …, iets laten liggen? Of ontnemen we de leerling gewoon het recht te doen wat de leerling in dit geval graag wil; gewoon gaan werken? Ontnemen we de leerling het recht om een hele goede putjesschepper te worden, alleen omdat we als samenleving trotser worden op alleen mensen met minstens niveau 2 op zak? Ontnemen we de leerling het recht een paar jaar te lamballen en daarna weer aan de slag te gaan? Moeten we meer doen? Meer begeleiden? Meer hulptroepen in de school halen, zoals ambulant begeleiders, leerlingcoaches, ortho-pedagoogels? Naast de ambtenaren van RBL en de sociaal maatschappelijk hulpverleners die we al hebben? Wat doen we fout?

Ik weet het niet. Ik weet alleen mijn eigen frustratie als docent en mentor.

We willen LES geven. We zijn bij een school gaan werken omdat we Kennis willen overdragen. In dat proces willen we bijdragen aan de ontwikkeling van de jong volwassenen, daarom zijn we ook mentor. De ‘papa’ of ‘mama’ van de leerling op school. Soms heten we coach, naast dat docentschap. Vooral bij de sportopleidingen doet die term het goed. Maar dat ZIJN we niet, het is een rol. Een rol van de docent LB. We willen primair doceren. LB, Les Boer. Daarom heten we ook docenten. Geen maatschappelijk werker, niet jeugdzorger, niet schuldhulpverlener, niet een van welke ondersteunende functie dan ook.

En nu moeten we beter gaan registreren. Ik lees het nieuws op Twitter als ik wacht op een leerling voor een mentorgesprekje; hij is medio november totaal precies 6 dagen wel de hele dag op school geweest. Ik ken het ventje. Wiedes. Ik ben zijn mentor, al even. Hij verkoopt vuurwerk. Mist soms dus les, want handel, of detentie. Ik kijk naar de drie kleuren lijst voor me. Rood- ongeoorloofd, oranje – geoorloofd (hij denkt soms aan een briefje voor de ortho of meldt zich ziek) en groen- aanwezig. Bizar weinig.

“Het ligt niet aan de registratie” denk ik, twitter ik.

Volgend lesuur mag ik weer Les Geven.