lezen

zomertje

Kindertjes die vragen worden overgeslagen. Maar ik vind het onderhand het proberen waard...

Ik wil katoenen broeken aan en blote benen. Ik wil mopperend mijn schoenen uitschoppen: te warm. Ik wil klachten van mijn dochter dat haar favo bikini in de was is en klachten van mijn zoon dat er op school geen airco is. Ik wil slapen onder mijn Turkse dekentje, dat eigenlijk niet meer is dan een dik laken, omdat het dekbed echt veel te warm is. Ik wil 's avonds om tien uur nog de tuin gaan sproeien omdat het daarvoor toch meteen verdampt. Ik wil alle ramen tegen elkaar open zetten zodat het een beetje door kan waaien. Ik wil zelfs hollend door het huis om ze allemaal dicht te doen als die ene verlossende onweersbui er eindelijk is. Ik wil barbecuen en salades eten, ik wil tot na middernacht op een terrasje, ik wil blote schouders en zwemmen in het Veerse Meer. Ik wil een flaphoed moeten kopen omdat je de zonnebril nu echt begint te zien, ik wil een hond die niet wil hollen want hij heeft zijn winterjas nog aan, en een kat die te lui is om muizen te vangen. Ik wil muggen doodmeppen en naar hommels kijken. Ik wil taboulet, mojito's en Ambre Solaire.

Het is 1 juni: kan het nou eindelijk eens zomer worden???

Teun

“Ga je mee Teun, een rondje in het optimistje? Even om het eiland heen? Ik stuur wel, dan mag jij voorin zitten. Of jij mag ook zelf sturen, ik ben er vlak bij?”
“Nee, ik ben niet zo’n durver. Ik heb ook mijn B nog niet..”
“Maar je hebt je A toch? Bovendien, we gaan zeilen hoor. Daar heb je helemaal geen zwemdiploma’s voor nodig. Een goede schipper blijft aan boord. Ja? Een stukje hier alleen in de kreek dan?”
“Maar waar is mama dan?”
“Mama blijft gewoon hier op de steiger, of misschien gaat ze wel even met een boekje in de kuip zitten. Maar we gaan toch niet ver weg? Gewoon een stukje met het kleine bootje varen.”
“Waar gaan we dan naar toe?”
“Nergens naar toe, gewoon een stukje zeilen omdat het leuk is. Zie je daar die boot voor anker liggen? Zullen we daar omheen varen en dan weer terug? Ja, klim er maar in. Als je daar tegen het mastje gaat zitten, dan zit je niet in de weg en je hoeft ook nog niets te doen. Je laat je varen, is dat geen luxe?”

“Waarom gaan we zo schuin?”
“Dat komt door de wind. Die duwt ons naar voren, maar ook een beetje opzij. Kijk, als ik dan aan de hoge kant ga zitten komt de boot weer recht. Wil jij even sturen?”
“Ik weet niet hoe dat moet…”
“Oh, dat is heel makkelijk, dat kan je vast. Zie je dit stokje? Dat is de helmstok, en als je nou bijna ergens tegenaan vaart, dan richt je het puntje op het gevaar en dan gaat de boot de andere kant op. Ja, goed zo! Merk je het, dat als je het roer de ene kant op doet, de boot juist de andere kant op gaat? Weet je wat makkelijk is? Als je nu een punt op de kant kiest om naar toe te varen en dan maar proberen om daar recht op af te sturen. Nee, kleine bewegingen maken met je roer, anders ga je zo slingeren, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je je naam in het water schrijft.”
“Dat kan helemaal niet, je naam in het water schrijven. Het is toch geen pen?!”

“Gaan we nog een rondje?”
“Even mijn koffie opdrinken, oké? Dan gaan we nog wel een rondje. Ga jij dan weer sturen?”
“Ja, want dat kan ik heel goed. Misschien kan ik wel kapitein worden, net als papa. Papa kan ook heel goed sturen toch?”
“Ja, jouw papa kan fantastisch sturen.”
“Gaan we nu dan ook om het eilandje heen? Op het echte Veerse Meer?”
“Als jij dat wilt, dan gaan wij om het eiland heen hoor. Maar zal ik dan sturen? Dat jij op de punt gaat zitten, met je rug tegen de mast aan? Er staan daar wat meer golfjes, en omkiepen willen we natuurlijk niet. Dan varen we langs de grote boot, langs mama. Dan kan jij zwaaien.”

“Mamaaaaa!!! Kijk naar mij!!!”




(deze column verscheen eerder in Zeilen)


inruimen


“Haha, heb je alles denk je?”
“Alleen mijn handtas en mijn tas met toilettas enzo, je weet wel, de meteen- nodig- tas, die ligt nog in de auto, maar ja, verder heb ik alles. Hoezo?”
“Dat meen je niet. Lief, ik was ironisch. Je hebt een karretje vol. Wat zeg ik, een karretje vol? Er staat een kop op. We gaan een weekje varen. Wat heb je in hemelsnaam allemaal meegenomen?”
“Nou, niks bijzonders hoor. Ik heb me echt beperkt. Dus pak nou maar aan, als je vind dat het niet nodig is, dan zet je het maar op de steiger.”
“Ik weet niet of die steiger breed genoeg is... Maar, goed, kom maar door.”
“Dit is mijn slaapzak, en in deze tas zitten drie handdoeken. Een grote en twee kleine. Niet heel raar denk ik?”
“Nee, niet heel raar.”
“Oh, en ik heb er ook maar vast een paar theedoeken bij gedaan, ik weet niet of je die aan boord hebt?”
“Ik ben niet gek hoor. Natuurlijk zijn er theedoeken aan boord.”
“Nou ja, dat is de ruimte niet, toch? Zet nou maar weg? Dan kan je dit krat aanpakken. Let op, zwaar. Boodschappen.”
“Boodschappen? Lood!”
“Nee, boodschappen. Traytje bier, flesje rood, flesje wit, flesje roze, kipkluifjes van de markt, een nootje en een chipje, tomaatjes, brood, beleg, wat sap en fris, eten voor twee dagen: boodschappen. Deze tas ook, maar die weegt niets. Dat chipje en nootje, zeg maar.”
“We gaan een week hè? Met zijn tweeën. Ik weet niet welk weeshuis jij op de borrel verwacht, maar ik zie hier alleen al vier soorten chips. En borrelnootjes ? En kroepoek? Wat gaan we doen met kroepoek?”
“Dat is lekker. Sjee, wat doe jij moeilijk zeg. Hier, de volgende tas. Pas op, niet laten vallen.”
“Weer lood. Wat is dit dan?”
“Een paar boeken...”
“Paar boeken? Voor een week?”
“Weet ik veel waar ik zin in heb om te lezen?!? Een paar boeken. Leesboeken, maar ook studieboeken, ik moet echt nodig wat leeswerk van die cursus inhalen, mijn laptop, nog wat rommeltjes. De vrijetijdtas, zeg maar. Dus niet ergens wegstouwen dat ik er niet bij kan.”
“Wat jij wil lief. Geef die weekendtas ook maar, wat is dat?”
“Kleren. Ja, je zal het wel veel vinden. Maar ik neem deze keer geen risico, ik ga niet weer in jeans en laarzen staan als jij een jasje aan kan doen dat je 'toevallig' aan boord hebt hangen. Ik heb een jurk en hakken bij me, en dat gaat gewoon mee.”
“Niemand verwacht een jurk hoor. Dat van zo'n jasje is soms ook gewoon een soort folklore ?”
“Ja, dat zal allemaal best. Dan nog. Hier, de laatste.”
“Met?”
“Duh! Mijn zeilpak en laarzen misschien?”
“Oh, oké. Dus vijf tassen, een krat en een slaapzak. Ik moet mezelf zeker gelukkig prijzen?”
“Ja, dat moet je zeker. Ik zal dat karretje even terug zetten en mijn handtas en toilettas uit mijn auto pakken. Dan kunnen we.”
“Nog even mijn auto leeghalen dan.”
“Jouw auto? Wat zit daar dan in?”
“Ik zou graag zeggen 'mijn jas en een tandenborstel', maar ik vrees ook zoiets als dit. Begin jij vast met inruimen?”



(Deze column verscheen eerder in Zeilen magazine, juli 2013. www.zeilen.nl)


Onderhoud

“Heb jij je boot verkocht?”
“Man, hou op. Staat bij de werf. Ik had toch twee jaar geleden wat problemen ontdekt op mijn onderwaterschip? Osmoseplekken. Dat kwam me die winter helemaal niet uit, dus uitgeboord, geplamuurd en het moest het maar een jaartje redden. Groot onderhoud afgelopen winter. Werf gezocht, afspraak gemaakt: week zeven was ik welkom.”
“Week zeven? Dat is toch februari ?”
“Ja. Laatste week februari. Ik helemaal blij, ik gokte een week of twee, drie daar en dan klaar om te varen. Ik had mezelf al opgegeven voor de openingstocht, dat zou ik ook eens halen. Nou, dat liep even anders.”
“Met werven is het lastig afspraken maken he?”
“Aan die werf heeft het niet gelegen, die waren keurig binnen de afgesproken tijd klaar. Nee, mijn schuld. Ik dacht de loosbuizen vanuit de kuip onder handen te nemen. Daar zat zoveel rommel in en roest; schoonmaken hielp niet veel meer, dus ik dacht: als die boot dan toch op de kant staat, vervang ik ze. Daarmee begon de ellende. Die dingen lopen door het motorruim en ik kon er wat rottig bij. De werf wilde de motor er wel even uit treken met een kraantje. Dus hup, torretje er uit, zie ik dat de motorsteunen bijna door zijn. Moest ik op zoek naar nieuwe motorsteunen. Die geven ze ook niet weg, trouwens. Zes weken levertijd, dus ik dacht: laat ik dan in de tussentijd het motorruim even schilderen. Schuren, zie ik dat de strut niet helemaal lekker vast zat. Ik heb toch een keer een lijn in de schroef gehad? Daar had de uithouder een klap van gekregen: overal haarscheurtjes. Dus voor ik kon schilderen moest het eerst in de epoxy, maar ja, dat spul kan je pas verwerken als het een beetje temperatuur is. En aangezien we in maart nog zo ongeveer op de schaats stonden, zat er voor mij maar een ding op. Wachten. Al met al was het begin april voor ik de motor er weer in kon laten zetten.”
“Net op tijd voor de openingstocht, toch?”
“Ja. Maar de motor deed het niet. Roest in de dieseltank. Nieuwe bestellen, weer vier weken levertijd, boel weer installeren, blijkt er zoveel vervuilde diesel in het motorblok zelf te zitten dat het uit elkaar moest. Nou ben ik best handig, maar daar stopt mijn technische kennis. Inmiddels was het ruim na Pinksteren, en die werf waar ik stond had genoeg te doen. Drie weken later pas aan de beurt.”
“Jee. Maar toen? Want je ligt nog steeds niet in je box?”
“Tegen de tijd dat de boot klaar was, was het zomervakantie. Wij dus met de auto daar naar toe, daar opstappen. Heerlijke vakantie gehad, vier weken prima weer. Maar de laatste drie dagen opeens problemen met het elektra. Nou hadden ze me bij die werf zo goed geholpen, dat ik dacht: daar naar terug. Mijn auto stond er tenslotte ook nog. Zo gezegd zo gedaan. Bleek het niet een klein probleem te zijn maar iets groots. Enfin, doe maar dan.”
“En nu?”
“Openingstocht volgend jaar moet lukken.“


(deze column is ook verschenen in Zeilen van november 2013)

Verzonnen


“Jij schrijft toch die verhaaltjes in Zeilen?”

“Als je die column achterin bedoelt: dat ben ik ja.”

“Waarom schrijf je niet gewoon eerlijk op dat je dat allemaal zelf bent?”

“Omdat ik het niet allemaal zelf ben?”

“Ja, natuurlijk wel. Of je hebt het zelf zo gehoord.”

“Nee? Nee, echt niet. Ik hoor een halve zin en verzin daar een hele column bij. Zo werkt dat bij mij. Ik ben geen journalist, ik ben schrijver. Verhaaltjes verteller.”

“Nah, dat kan niet. Ik geloof er niets van dat je het niet gewoon zo hoort, en het dan alleen maar hoeft op te schrijven. Dat kan je niet zo verzinnen, dat moet je gehoord hebben. ”

“Was het maar waar. Nee hoor, ik hoor iets, een zinnetje, of gewoon algeheel gemopper. Wie uit jouw bootjes-kring loopt niet te zeuren over het onderhoud, wie heeft er niet altijd meer spullen mee naar de boot dan van te voren had bedacht en wie heeft er niet af en toe thuis ruzie over de tijd die in die boot gaat zitten? Dat lijkt me aardig universeel, dus ja, dat maak ik mee. Maar dat maak jij ook mee. Soms is het dan een zinnetje waardoor ik het hele gesprek voor me zie, bijna kan horen, en soms verwerk ik zelfs dat ene zinnetje in een column, maar het meeste is van begin tot eind verzonnen. Of beter: ik zie het voor me, alsof ik het meegemaakt heb, en dan heb ik het weer net even anders beschreven.”

“Ja, dat zeg je nu wel, maar neem nou die column over die man die elk jaar met zijn familie strijd moest hebben over de vakantie. Of dat van dat een jaar bezig zijn met onderhoud. Die van het weer zout ruiken als je Zeeland weer in vaart. Dat heb je toch gewoon zelf meegemaakt?”

“Nee , dat heb ik niet zelf meegemaakt. Ik heb geen ruzie over de invulling van de vakantie, maar ik kan me de bonje thuis wel voorstellen. Dus daar kan ik dan een stukje over schrijven. Dat zout ruiken, ja dat rook ik wel, ooit een keer, maar de discussie over wat je dan precies ruikt is nooit zo gevoerd, en schrijven over onderhoud? Dat is als ik even geen inspiratie heb. Onderhoud, daar heeft iedereen beeld bij. Dat is zo universeel. Koop een boot, werk je dood? ”

“Dus je verzint het allemaal? Alles?”

“Ja. Dikke duim heb ik he?”

“Die man op de Hiswa, die vent in de bouwmarkt, dat zeilen in het Engels, die auto’s vol met spullen voor drie dagen zeilen, die pech met het onderwaterschip: dat is allemaal verzonnen? Alles?”

“Ja. Geïnspireerd door wat ik zie en meemaak, dat wel. Maar de dialogen zoals ik ze opschrijf: allemaal uit mijn duim. Van a tot z aan elkaar gefantaseerd. Niet Echt Gebeurd. Gelogen, zo je wilt.”

“Alles? “

“Alles.”

“Dus als ik dit teruglees in Zeilen…?”

“Dan heb ik dat zojuist verzonnen. Dank je wel trouwens. “

(deze column verscheen in het januarinummer van Zeilen. Kijk ook eens op hun website: www.zeilen.nl)

Zwemvest

“Wat had jij nou laatst weer voor zuur commentaar op mijn Facebook? Dat we een zwemvest aan moesten doen?”

“Ja, maar dat doe ik niet alleen bij jou hoor. Dat doe ik bij elke foto die ik in deze maanden voorbij zie komen en waar ik blije eikels, meestal ook nog met een blik in de hand, een rakje zie maken in volle bepakking maar zonder ploffer. Ik vind dat zo stom.”

“Angsthaas. Er gebeurt echt niks hoor. En anders hebben we de KNRM?”

“Lekker makkelijk is dat. Die rukken vast met liefde en plezier uit als er wat aan de hand is, maar ik betwijfel of ze het leuk vinden om een lijk uit zee te moeten vissen. Geef jij, ben jij redder aan wal?”

“Ja, natuurlijk, braaf elke maand!”

“Lees je dat blad van ze ook? Ik las laatst dat ze gemiddeld twintig keer per jaar een man overboord melding krijgen en dat loopt meestal slecht af. Tik van de giek gehad, ’s nachts, uitgegleden op een glad dek, noem het maar. Ik kan me daar ook wel een paar stommigheden bij voorstellen. Zoals wat jij doet: zeilen in de winter, zonder goede ploffer. Weet je hoe zwaar je bent met al die laagjes aan? Jullie hebben vermoedelijk helemaal niet de juiste zwemvesten aan boord, waarschijnlijk allemaal van die 150-ers?”

“Er zijn er een paar die hun eigen zwemvest hebben, maar inderdaad, die dingen aan boord zijn 150. Dat is toch genoeg?”

“Ja, in de zomer wel ja. Maar je zou voor de gein eens met je pak en je laarzen aan moeten gaan zwemmen komende zomer. Ik ben eens gesprongen, in de zomer, met alleen een windstoppertje aan, je weet wel, een fleece met binnenlaag, en ik was heel blij dat ik goed kan zwemmen. Zwaar! Het is prima dat je wat thermo-ondergoed aantrekt onder je kleren, en daaroverheen nog een pak, en dan een muts, handschoenen en laarzen, want het is koud. Wat ik echter niet begrijp is dat je dan met al die lagen dat ene laagje dat je leven kan redden, overslaat want dat zit dan zogenaamd niet lekker. Je hebt al zoveel lagen aan dat je een aardige imitatie van Bibendum doet, je kan je al amper meer bewegen, dus dat kan er toch ook wel bij? Je kraag staat tot je oren opgetrokken, je hebt een muts op je kop, je ziet het ding niet eens, laat staan dat je hem kan voelen.”

“Bibendum?”

“Het Michelin Mannetje. Moet met zijn gewicht ook wel een 275-er, elke Newton is een kilo. Nou zonder dollen: je zinkt als een baksteen hoor. En ga nou niet zeggen dat je nooit over de muur gaat, dus waarom nu wel, want een keer is genoeg.”

“Ja, er is wel wat voor te zeggen. Ik zal het eens in de groep gooien. Zeker voor diegenen die het voordek doen.”

“Nee, allemaal. Dus ook die stuurman: vestje aan. Zeker nu. Wist je dat de meeste drenkelingen in de winter met open gulp uit het water worden gehaald? WC is winterklaar, dan de achterstag maar…”

(deze column verscheen eerder in Zeilen, februari 2013. Kijk ook eens op hun website, of op het Feestboek!)