MBO

Tandvlees

Opeens begon het, op maandagmiddag. Kiespijn. En niet een beetje, gewoon echt serieus.

Net als de meeste mensen van mijn leeftijd is het gebit een heikel punt. Onze ouders lieten begin veertig gewoon alles trekken en namen fijn een kunstgebit, maar wij zijn moderne veertigers en we willen dus zo lang mogelijk onze eigen tanden en kiezen houden. Dus we poetsen met whitening tandpasta (want de andere optie; stoppen met thee, koffie, roken en drinken is eigenlijk geen optie, toch? ) en als we er aan denken volgen we het advies van de mondhygiëniste op en flossen, stoken en spoelen we. Ik geloof niet dat mijn ouders ooit bij een mondhygiëniste geweest zijn en mijn opa en oma zeker niet, maar elke veertiger heeft een narrig stemmetje in zijn of haar achterhoofd; die afspraak is echt long overdue, dat moet nu echt even…

Wij zijn echter ook de generatie van de schooltandarts. Die omgebouwde bus die het schoolplein op kwam rijden. Die beul die daarin zat. Die nog nooit van verdoving gehoord had en complete klassen moest doen tussen half negen en half twaalf. Tot mijn twaalfde heb ik blijkbaar drie gaatjes gecreëerd in mijn kiezen, alle drie met donkergrijze amalgaan gevuld door de schooltandarts. Wat was ik bang van die man. Mijn beide pubers snoepen echt niet minder dan ik toen deed, en poetsen ook niet beter, maar hebben beiden nooit ook maar een gaatje gehad. Ik denk wel eens dat die schooltandarts mijn gaatjes verzonnen heeft. Dat hij af mocht rekenen per gaatje. Want laten we wel zijn: drie gaatjes tussen zes en twaalf, en dan pas weer een met 37? Het riekt.

Bij de mondhygiëniste voel ik echter hetzelfde als bij de schooltandarts. Ik heb niet goed gepoetst. Ik krijg straf. Terwijl ik echt twee keer per dag poets. Ok, niet elke dag flos. Een paar keer per week. En ragen ook niet elke dag. Of stoken; af en toe. Maar het is toch goed? Wit?

“Je hebt parodontitis” zei ze de laatste keer. Meer dan een half jaar geleden. Jaja, long overdue.

Optrekkend tandvlees. Dat gebeurt na je veertigste. Alles gaat hangen, behalve je tandvlees, dat trekt op. Met een zorgelijk gezicht liet ze me zien dat er ruimte zit tussen tandvlees en wortel. Dat mijn wortels nog maar een paar millimeter in mijn kaakbeen zitten. Wat ik er aan kon doen? Nou, niks. Tandvlees trek je blijkbaar niet zomaar meer naar beneden. Dus schoon houden, zorgen dat er geen restjes tussen dat tandvlees en de wortels kan gaan zitten, wat dan weer gaat rotten en de boel van binnenuit verstiert.

Dus ik heb alle hulpmiddelen in huis. Die ik vervolgens volkomen negeer. Twee keer per dag poetsen, dat moet maar genoeg zijn. Afgelopen jaar beet ik in een broodje kroket en brak ik een kies. Dat was de laatste almagaanvulling die mijn tandarts, met veel verdoving en zalvende woorden, heeft vervangen voor een witte vulling. Na de schooltandarts heb ik een bange mensen tandarts gekozen. Wat een schat, die man. Indien nodig verdooft hij je al in de wachtkamer.

Maar maandagmiddag begon het opeens. Kiespijn. Alsof er wat klem zit tussen kies en kaakbeen. Kauwen doet pijn. Maar ik weet inmiddels ook dat het ten dele psychosomatisch is. Ik begin de uitdrukking ‘op je tandvlees lopen’ steeds beter te begrijpen. Als ik moe ben, het beu ben, slaap tekort heb, dan merk ik dat aan mijn gebit. Omdat ik mijn gebit dan ook verwaarloos: dan ga ik ook wel eens naar bed zonder te poetsen, of pak ik ’s ochtends niet de volle vijf minuten poetsen en raffel het af. De Tandenfee straft onmiddellijk. Jij niet goed voor jezelf zorgen? Poef! Pijn!

Het is de laatste week. Nog even. Heel even. Het is nu dagen tellen. Nog drie vergaderingen, twee sub overleggen, een diplomering, een teamuitje. En dan is het klaar voor dit jaar. Klaar. Zes weken zomervakantie. Zes weken. Zes weken waarin ik elke dag zal ragen, flossen, drie keer per dag poetsen zelfs, ok? Tandenfee? Ok? Hebben we een deal? Mag die kiespijn nu weg?

ethiek

In het blog van onze CVB-er lees ik dat hij zich afvraagt hoe we met ethische vraagstukken omgaan. Een pak papier mee naar huis nemen als docent, omdat je thuis nog wat wil printen voor je leerlingen, mag en kan dat?

Ik lees het als een soort pauzenummertje in de hectische laatste weken. Ik kom net uit een vergadering over de teamtaken, en moet nog een studiewijzer schrijven. Om mijn (flex)werkplek heen wordt druk opgeruimd: er wordt een kantoorruimte omgetoverd tot klaslokaal deze zomer, en alle kasten moeten leeg. Van de opbrengst van het oud papier kunnen we vermoedelijk met zijn allen uit eten, (maar dat mag niet van de ethiekpolitie, dus het gaat op de grote hoop) maar er komen ook veel andere dingen uit de kasten. Insteekhoesjes. Toetspapier. Mappen, al dan niet gevuld met nog meer insteekhoesjes. Oude spullen: floppy discs; lesmateriaal uit vervlogen tijden. Weggevertjes van voorbije open dagen. Hier en daar staan er zelfs nog oude logo’s op. Nog meer insteekhoesjes. En spúllen. Lege verpakkingen die gebruikt worden voor lessen; ook dit hoort bij de P van Product. Twee paar oude gympen: ook lesmateriaal. Welke zijn de echte en welke de neppers? Een monopolyspel; daar is ooit boekhouden mee uitgelegd.

Persoonlijke zaken: een paar geluidsboxjes, een tas, een lampje met kerstlichtjes, een pot waar drop in heeft gezeten (heel even maar), bolletjes wol, gebruikt voor mentorlessen, inpakpapier van de cursus inpakken.

In het bakje voor me liggen de 22 pennen aan een koordje klaar die ik als eindejaarcadeautje mee ga geven aan mijn leerlingen. Volgens een bekende internetmeme ga je dood als je je pen verliest; het is mijn grapje voor mijn mentorklasje. Gisteren gehaald bij de Action. Voor dat soort dingen is geen budget, dus ik koop dat zelf maar.

Ik vraag me af hoe de CVB-er daar over denkt….

VerBijstering uit het veld...

(jaja, flauwe woordspeling maar te mooi om te laten liggen. Met Bussemaker kan je niks, als woordspeler&hellipWinking

MBO nieuws: de scholen moeten beter gaan registreren als het gaat om verzuim.

Voor veel MBO instellingen was dit nieuws van november 2016 allang geen nieuws meer; in het kader van de kwalificatieplicht, de boetes en premies op het laten ontstaan c.q. het laten verdwijnen van Voortijdig School Verlaten en de door de gemeentes aangescherpte beleid op jeugdwerkloosheid (een direct gevolg van de maatregelen van het overhevelen van de WW naar de Bijstand), zijn de meeste MBO instellingen in Nederland al jaren bezig met het noteren, volgen, begeleiden en bestraffen van alle jeugd die om welke reden dan ook buiten het schoolbootje dreigt te vallen.

Al net zo lang als we noteren vragen we ons af: “waarom?” Wat schieten we ermee op, om te noteren dat ze er niet zijn? We noteren, maar weten we de achterliggende reden? Doen wij iets fout, zijn onze lessen niet leuk genoeg? Is het mis gegaan in de voorlichting, heeft de leerling de verkeerde keuze gemaakt? Of is het omdat ergens anders steken zijn gevallen? Heeft jeugdzorg, de vooropleiding, de ouders, de vorige school, …, iets laten liggen? Of ontnemen we de leerling gewoon het recht te doen wat de leerling in dit geval graag wil; gewoon gaan werken? Ontnemen we de leerling het recht om een hele goede putjesschepper te worden, alleen omdat we als samenleving trotser worden op alleen mensen met minstens niveau 2 op zak? Ontnemen we de leerling het recht een paar jaar te lamballen en daarna weer aan de slag te gaan? Moeten we meer doen? Meer begeleiden? Meer hulptroepen in de school halen, zoals ambulant begeleiders, leerlingcoaches, ortho-pedagoogels? Naast de ambtenaren van RBL en de sociaal maatschappelijk hulpverleners die we al hebben? Wat doen we fout?

Ik weet het niet. Ik weet alleen mijn eigen frustratie als docent en mentor.

We willen LES geven. We zijn bij een school gaan werken omdat we Kennis willen overdragen. In dat proces willen we bijdragen aan de ontwikkeling van de jong volwassenen, daarom zijn we ook mentor. De ‘papa’ of ‘mama’ van de leerling op school. Soms heten we coach, naast dat docentschap. Vooral bij de sportopleidingen doet die term het goed. Maar dat ZIJN we niet, het is een rol. Een rol van de docent LB. We willen primair doceren. LB, Les Boer. Daarom heten we ook docenten. Geen maatschappelijk werker, niet jeugdzorger, niet schuldhulpverlener, niet een van welke ondersteunende functie dan ook.

En nu moeten we beter gaan registreren. Ik lees het nieuws op Twitter als ik wacht op een leerling voor een mentorgesprekje; hij is medio november totaal precies 6 dagen wel de hele dag op school geweest. Ik ken het ventje. Wiedes. Ik ben zijn mentor, al even. Hij verkoopt vuurwerk. Mist soms dus les, want handel, of detentie. Ik kijk naar de drie kleuren lijst voor me. Rood- ongeoorloofd, oranje – geoorloofd (hij denkt soms aan een briefje voor de ortho of meldt zich ziek) en groen- aanwezig. Bizar weinig.

“Het ligt niet aan de registratie” denk ik, twitter ik.

Volgend lesuur mag ik weer Les Geven.

13 weken vakantie per jaar (licht aangepast...)

Op Twitter volg ik iemand wiens Avatar ‘Wonderwoman’ is. Zo’n Japans stripfiguur waarvan je verwacht dat ze inderdaad wonderkrachten heeft. Of in ieder geval heel goed kan vechten. Met stokjes ofzo. Haar twitteradres is dan weer heel meisjesachtig. Het woord Lief zit er in. Een gespleten persoonlijkheid? Ze werkt in het onderwijs. Ik weet niet precies als wat, maar ik vermoed als docente in de bovenbouw van de Havo. Dat leid ik af aan haar tweets in het voorjaar. Als iedereen twittert over terrasjes en mooi weer en zij over de tweede correctie van examens.

Zij begon de zomervakantie een aantal van haar tweets met #zesweken. Ik vond dat leuk, ik heb immers ook zes weken, en ik besef heel goed dat het een luxe is die maar weinig werkenden zich kunnen permitteren. Het is met drie weken aaneengesloten voor de meeste mensen in loondienst wel klaar, en een zelfstandig ondernemer die er zes weken tussenuit gaat midden in de zomer: ze zijn er vast maar ik ken ze niet. Dus toen ik deze zomer eens telde en dacht: er zijn er al weer drie voorbij, twitterde ik ook ‘Op de helft. #zesweken’. Het leverde me meteen een aantal antwoorden op.

De leukste was ‘Nog even volhouden, je kan het! #zesweken’. De retweet van een collega kon ik ook nog volgen. Maar de meeste reacties waren… negatief. Oh, ik heb een zeer beschaafde tijdlijn hoor, schelden doet men niet en ik heb nog geen volgers moeten blokkeren vanwege onappetijtelijk taalgebruik, maar ‘Jij wel! Ik ben al lang weer aan het werk’ en ‘Hard werken hoor, dat onderwijs’, dat kan je toch ook niet positief noemen?

In mijn omgeving hoor ik het ook van vrienden en kennissen. ‘Jij hebt zeker weer vakantie?’ zeggen mijn vriendinnen die zich afvragen wat ze met de kinderen moeten doen met de herfst-, kerst,- of meivakantie of inderdaad, in die zes lange weken zomer. Ze gunnen me het hoor, het zijn mijn vriendinnen, maar een beetje jaloers zijn ze wel. Ik heb het gezeur met in te schakelen opa’s en oma’s nou eenmaal niet; als de kinderen vrij zijn ben ik ook vrij. Nou ja, meestal dan, want onze ‘studiedagen’ vallen natuurlijk nooit samen met die van de school van mijn kinderen.

Ik zal er niet om liegen, toen ik 18 jaar geleden als zij-instromer op een MBO begon, waren die vakanties wel degelijk een argument. Met een man die een hele drukke baan had, zag ik de bui met kinderen op de lagere school al hangen en ik zat niet zo ruim in de opa’s en oma’s. Altijd gelijk met de kinderen vakantie hebben; het was een van de redenen om het onderwijs in te gaan.
Inmiddels geef ik soms het uitgebreide antwoord, maar vaker het korte antwoord. Als men mij weer eens aanspreekt met ‘jij hebt wel heel veel vakantie’, antwoord ik meestal met ‘dertien weken per jaar, en als ik een keer pas om zes uur thuis ben, had ik een latertje.’ De meeste mensen zijn helemaal niet ontvankelijk voor het uitgebreide antwoord, dus ik laat dat meestal maar en neem ze meteen de wind uit de zeilen. Laat ze maar denken dat iedereen in het onderwijs een lui varken is. Ik weet beter.

Wat het uitgebreide antwoord is? In het onderwijs – althans in mijn onderwijs, het MBO- werken we evenveel uren als een ambtenaar. De normjaartaak van een ambtenaar is 1659 klokuren op jaarbasis. De meeste ambtenaren verdelen dit in een 36 urige werkweek, waardoor ze zes weken vakantie per jaar overhouden. En af en toe een vrije dag. Wij BVE-ers (onze cao is de cao voor Beroeps- en Volwassenen Educatie, afgekort BVE) moeten het in 40 weken doen, als we een normaal jaar hebben. Met dank aan de vakantiespreiding heb je eens in de drie jaar een normaal jaar: het jaar ervoor is een lang jaar, van 41 weken, het jaar erna een kort jaar met 39. Maar laten we het even op die 40 weken houden: dan draaien we onze 1659 uur dus in 40 weken, wat ons een werkweek oplevert van 41,475 uur. Ja, drie cijfers achter de komma, want je werktijdfactor wordt in BVE land zelfs in vier cijfers achter de komma uitgedrukt.

‘Ja maar, je bent toch vaak genoeg om vier uur al uit? Of nog eerder?’ Ja, inderdaad. Je rooster, je lessentabel, zet je niet voor die volle veertig uur voor de klas. Hoewel er roostermakers zijn die het nog wel eens willen proberen. Je moet je lessen ook voorbereiden, en daar krijg je tijd voor. Ongeveer de helft van de tijd die je voor de klas staat, heb je ook om je lessen voor te bereiden, repetities te maken, vergaderingen te houden over de leerlingen, het onderwijssysteem, de school in het algemeen en jouw afdeling in het bijzonder en alles wat er nog meer bij komt kijken.

Ik had ooit in een grijs verleden een docent geschiedenis die al jaren hetzelfde lesje afdraaide. Als ik tegen mijn zus zei dat we bezig waren over de tweede wereldoorlog, dan wist zij me te vertellen dat ik de laatste twee weken voor de kerstvakantie ‘The Wave’ zou gaan kijken en dat ik op de repetitie de vraag zou krijgen over welk mechanisme de film ging. Het was ‘hersenspoeling’ en inderdaad, die vraag zat in de repetitie. Mijn zus is tien jaar ouder dan ik.
Dat soort docenten zijn er gelukkig steeds minder. De boeken worden geen tien jaar meer gebruikt en de docenten die maar één vak geven zijn ook op de vingers van een hand te tellen. Dus de uitzonderingen daargelaten, hebben de meeste docenten die tijd voor voorbereiding en nazorg, zoals het heet, ook echt nodig. De leerling is veranderd, en vraagt om actuele voorbeelden. Filmpjes die twee weken geleden op TV waren zijn of saai of allang viral gegaan en een repetitie hergebruiken? Ze hebben er foto’s van gemaakt met hun mobieltje dus als je echt wil weten wat ze geleerd hebben, moet je dat niet doen.

Met een fulltime baan mag je maximaal 1200 contacturen hebben. Contacturen zijn de uren dat je aanwijsbaar met de leerlingen bezig bent. Dat ben je als je les geeft, dat ben je als je je lessen voorbereidt, dat ben je als je vergadert over die leerling, dat ben je op sommige scholen ook als je stagebezoeken doet, en op andere scholen is dit weer apart benoemd. Al je taken en taakjes zijn in BVE land ingedeeld in een Jaartaakbrief. Die Jaartaakbrief begint met je lessen, want dat is je basis. Op ‘mijn’ school is de consensus dat het met 30 lesuren wel klaar moet zijn. Dan begin je elke dag om half negen, heb je gemiddeld een tussenuur per dag, en ben je na zes uren lesgeven klaar. Dat is inderdaad half vier. ’s Ochtends en ‘s middags heb je een kwartier pauze, die je vaak tussen de leerlingen doorbrengt. Alleen tijdens de lunch (een half uurtje) jagen we ze weg uit de docentenkamer, even rustig eten. De andere pauzes gaan op aan vragen van leerlingen, verhalen die ze kwijt willen en rotsmoesjes waarom ze die ochtend te laat waren. Het gesprek in de lunchpauze gaat over leerlingen.

Het lijkt niet veel, die lesuren. Maar reken even mee? 30 lesuren per week, dat is dertig keer 50 minuten. 1500 minuten gedeeld door 60 minuten is 25 klokuren. Dus als je dagelijks van half negen tot half vier aanwezig bent, ben je 35 uur op school geweest, dus daar verdampt al 10 uur. Je hebt op 30 lesuren per week 15 uur voor voorbereiding en nazorg, je hebt dus nog vijf uur over om inderdaad die filmpjes op het net op te zoeken, die extra samenvatting en oefeningen voor ze te maken, die SO’s en repetities te maken en je studiewijzer aan te passen. Voor alle vier of vijf vakken die je geeft. Dat kan een stukje in die tussenuren, maar nooit helemaal. Al was het maar omdat je een werkplekje moet zoeken waar je je computer in kan pluggen. Moet je je voorstellen dat er op een kantoor elke vijftig minuten een bel zou gaan, waarop de hele goegemeente zijn spullen oppakt om het honderd meter verderop weer uit te stallen: computer, boeken waarmee gewerkt werd, pen, papier, eventuele hulpmiddelen… Ik vermaak me wel eens met die gedachte. Het zou een chaos worden. Moet de vetplant dan ook mee en het fotolijstje met ‘denk aan mij’?
Ja, maar je hebt toch 1659 uur? Toch geen 1200 voor echt les? Die andere uren heb je toch ook nog?

Ja, je hebt 459 uur per jaar voor andere dingen, en hoe die ingevuld worden verschilt per persoon. 59 uur worden je ‘cadeau’ gegeven: deskundigheidsbevordering in te vullen naar eigen inzicht. Dus geef je wiskunde dan mag je in die tijd naar de Olympiade. De kans dat je je inleest in de Wet Meijerink is groter, maar dat mag je zelf weten. In mijn persoonlijke geval: ik maak ze op aan het lezen van starterstijdschriften als Sprout en Management Team en het proberen te volgen van de ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving en belastingen, die ze niet leuker maken inderdaad. Ik geef marketing en ondernemersvaardigheden…
Nog vierhonderd uur. Die per persoon verschillend worden ingevuld. Teamvergaderingen, onderwijsontwikkeling, clusteroverstijgend vakgroepoverleg, open dagen, voorlichting op middelbare scholen, overleg met het Regionaal Bureau Leerplicht, ontschotten van opleidingen, excursies organiseren, toetsenbankontwikkeling, flipping the classroom, sectoroverleg, overgang VMBO-MBO vergemakkelijken, overgang MBO-HBO aan laten sluiten, werkveldbijeenkomsten, ontwikkelen van doorlopende leerlijnen, aandacht voor Voortijdig School Verlaten, duurzaamheid, innovatie, e-learning en ga zo maar door.

Wanneer ik dan de tijd had om te schrijven? Ik werkte parttime. In het onderwijs. Ik had dus alle tijd!



Experiment deel II


Week 21

Ik ben tweeëneenhalve week op weg in mijn experiment . (Huh? Week 21 min week 16 is toch geen 2,5? Jawel. Meivakantie en Hemelvaart… ) Het is tijd een tussenbalans op te maken als ik hier volgend schooljaar mee verder wil: regio Zuid is dit jaar de eerste in de vakantiespreiding en week 25 is de laatste reguliere lesweek.
Werkt het? Het is natuurlijk nog geen gedegen onderzoek, na zo’n korte tijd, maar ik heb de neiging om ‘ja’ te zeggen. Wat mij betreft wegen de ‘kosten’ absoluut af tegen de ‘baten’ en dat zal ik uitleggen.

Mijn meivakantie was geen echte vakantie; ik heb al mijn lessen nog een keer moeten voorbereiden. Ik ben een vrij traditionele docent die een stukje instructie af probeert te wisselen met zelfstandig werken, maar ik moet toegeven: er zijn vakken dat ik het blokuur frontaal lesgeef. Mijn zandloper, die een kwartier loopt, speelde dus al een cruciale rol in mijn lessen. Na dat kwartier gaf ik ze altijd al even tijd om op de mobiel te kijken of ze online nog een leven hadden; tijd die ik dan gebruikte om mijn absentenregistratie te doen, wat kopietjes te maken of mijn flesje te vullen – van zoveel praten krijg je dorst.
De indeling van de klas die ik nu gemaakt had, verdeelde de klas in twee groepen: zelfstandig werken achterin, focus op de docent in de carré. Voor veel van mijn lessen heb ik daarom een extra begrippenlijst gemaakt van de stof die ik zou behandelen: achterin mochten ze dat zelf opzoeken, voorin was het een leidraad voor de te maken aantekeningen. Dat was in de meivakantie nog een behoorlijke klus: ik geef dit blok 10 verschillende vakken. (Dat dat misschien absurd is, is een andere discussie.) Ook moest ik mijn planning strakker in elkaar zetten; als een leerling achterin vooruit wil werken, moet die leerling van te voren weten wat er volgende week op de planning staat. Ook dat was een klus. Er gaat dus behoorlijk wat (extra) tijd van de docent zitten in deze manier van lesgeven.

Die extra lesvoorbereiding had ook een voordeel. De focusgroep wist van te voren wat ze konden verwachten (ik hoorde ze eens zeggen ‘ze heeft de helft van haar begrippen al gehad, dus met een beetje mazzel moeten we die bus van vier uur wel kunnen halen&rsquoWinking en achterin waren er een aantal inderdaad aan het vooruitwerken. Overigens is er eentje die, als hij zo door gaat, over een week door de stof heen is, ik hoop maar dat hij nog even ziek wordt ofzo, anders moet ik daar ook nog iets op verzinnen.

Bij de meeste vakken liet ik het aan de leerling zelf waar ze gingen zitten. Wel eiste ik voorin de focus tijdens de zandloper-tijd. Telefoon weg, geen gezellig gedoe met de buren. Dat was even wennen voor sommigen, maar de ‘eerlijkheid’ daarvan, daar konden ze wel wat mee. Vooral ook omdat ik ze achterin inderdaad niet aansprak op telefoongebruik. Ook vertelde ik dat ik aantekende waar ze gingen zitten in mijn presentie-registratie. Steeds achterin? Prima, maar dan ook niet komen mauwen dat je het niet snapt.

Die vorm van ‘eigen verantwoordelijkheid’ zal niet elke puber aankunnen en als je met deze manier in het eerste blok zo zou beginnen zou ik achterin zitten alleen maar doen op basis van bewezen goede resultaten, maar voor nu werkte het. Een paar die het jaar misschien nog kunnen halen heb ik van achteren naar voren zien komen, en van de mensen die zich al niet meer inzetten omdat ze toch het jaar niet meer halen heb ik in de les geen last gehad. De toetsperiode zal het leren, maar ik heb het idee dat er in de focusgroep veel meer leerrendement gehaald is.

Dat het lokaal ‘van mij’ was, had een leuk bij-effect. Niet alleen voor mij (ik kon zowel smartboard als whiteboards gebruiken; een optimale lessituatie, en ik hoefde niet elke twee uur mijn spullen te verplaatsen) maar doordat de leerlingen het lokaal ook als het mijne zagen, werd het geen rommel. De stoelen werden netjes aangeschoven; de rekenmachines gingen terug naar de tafel bij de deur en er bleef geen papier op de tafels liggen.
Een enkele les, waarin ze in vier groepen moesten werken, werden ook de carré tafels aan elkaar geschoven maar ‘zet even terug’ was genoeg om de eerdere opstelling weer te hebben. De verpakkingen aan het plafond werden met rust gelaten (als er ook maar 1 plafondplaat beschadigt moet ik ze er allemaal af halen he) en de statafel achterin werd af en toe gebruikt als een kwebbelplek als er geen instructie was, bijna als een koffiehoekje. Kortom; een prima sfeer in de klas.

Wat mij betreft is het experiment gelukt. Ook van leerlingen hoor ik positieve geluiden, en een aantal collega’s is jaloers. Helemaal geen nadelen dan?
Jawel, een heel groot nadeel. Nu ik weet, of denk te weten, dat het werkt, wil ik dit breder trekken.
Meer lokalen zo inrichten. Of misschien zelfs een cluster aan lokalen; een open ruimte voor zelfstandig werken, dichte lokalen voor instructie en focus. Misschien een computerhoekje. De docentenwerkplekken erin betrekken. Idealiter naar modulair onderwijs – die paar die sneller door de stof gaan moet je kunnen belonen en de langzamere leerling kan je beter helpen.
Kortom; een ander beleid, geregel, overleg, projectplan, budget vragen, et cetera. Ik heb er geen tijd meer voor dit jaar, en dat vind ik een heel groot nadeel, nu ik weet dat het werkt…