optimist

Teun

“Ga je mee Teun, een rondje in het optimistje? Even om het eiland heen? Ik stuur wel, dan mag jij voorin zitten. Of jij mag ook zelf sturen, ik ben er vlak bij?”
“Nee, ik ben niet zo’n durver. Ik heb ook mijn B nog niet..”
“Maar je hebt je A toch? Bovendien, we gaan zeilen hoor. Daar heb je helemaal geen zwemdiploma’s voor nodig. Een goede schipper blijft aan boord. Ja? Een stukje hier alleen in de kreek dan?”
“Maar waar is mama dan?”
“Mama blijft gewoon hier op de steiger, of misschien gaat ze wel even met een boekje in de kuip zitten. Maar we gaan toch niet ver weg? Gewoon een stukje met het kleine bootje varen.”
“Waar gaan we dan naar toe?”
“Nergens naar toe, gewoon een stukje zeilen omdat het leuk is. Zie je daar die boot voor anker liggen? Zullen we daar omheen varen en dan weer terug? Ja, klim er maar in. Als je daar tegen het mastje gaat zitten, dan zit je niet in de weg en je hoeft ook nog niets te doen. Je laat je varen, is dat geen luxe?”

“Waarom gaan we zo schuin?”
“Dat komt door de wind. Die duwt ons naar voren, maar ook een beetje opzij. Kijk, als ik dan aan de hoge kant ga zitten komt de boot weer recht. Wil jij even sturen?”
“Ik weet niet hoe dat moet…”
“Oh, dat is heel makkelijk, dat kan je vast. Zie je dit stokje? Dat is de helmstok, en als je nou bijna ergens tegenaan vaart, dan richt je het puntje op het gevaar en dan gaat de boot de andere kant op. Ja, goed zo! Merk je het, dat als je het roer de ene kant op doet, de boot juist de andere kant op gaat? Weet je wat makkelijk is? Als je nu een punt op de kant kiest om naar toe te varen en dan maar proberen om daar recht op af te sturen. Nee, kleine bewegingen maken met je roer, anders ga je zo slingeren, het is natuurlijk niet de bedoeling dat je je naam in het water schrijft.”
“Dat kan helemaal niet, je naam in het water schrijven. Het is toch geen pen?!”

“Gaan we nog een rondje?”
“Even mijn koffie opdrinken, oké? Dan gaan we nog wel een rondje. Ga jij dan weer sturen?”
“Ja, want dat kan ik heel goed. Misschien kan ik wel kapitein worden, net als papa. Papa kan ook heel goed sturen toch?”
“Ja, jouw papa kan fantastisch sturen.”
“Gaan we nu dan ook om het eilandje heen? Op het echte Veerse Meer?”
“Als jij dat wilt, dan gaan wij om het eiland heen hoor. Maar zal ik dan sturen? Dat jij op de punt gaat zitten, met je rug tegen de mast aan? Er staan daar wat meer golfjes, en omkiepen willen we natuurlijk niet. Dan varen we langs de grote boot, langs mama. Dan kan jij zwaaien.”

“Mamaaaaa!!! Kijk naar mij!!!”




(deze column verscheen eerder in Zeilen)