Nog maar eens over de lumpsum

De Inspectie voor het Onderwijs controleert besturen en beoordeelt scholen. Het meeste daarvan gebeurt ín de opleidingen. Zelf heb ik ook wel eens inspecteurs in de klas gehad, en de procedures van het examenbureau; daar droom ik nog wel eens van op plakkerige nachten. Maar er is één onderdeel wat niet bekeken wordt op opleidingsniveau en dat is geld. Wat ik raar vind, zeker gezien de manier waarop veel scholen georganiseerd zijn: als matrix-organisatie met veel verantwoordelijkheid laag in de lijn.

De individuele schoolleider, directeur of teamleider is taak- en resultaatverantwoordelijk als het gaat om de kwaliteit van het onderwijs, als het gaat om het gebruikte instrumentarium voor examinering, als het gaat om de inzet en afname daarvan, als het gaat om onderwijstijd, om professionalisering, om kwaliteitszorg, leerlingbegeleiding, passend onderwijs: alles tot aan de koffie aan toe is de taak en verantwoordelijkheid van die schoolleider, tót het om de centen gaat. Dan mag (moet) de schoolleider verwijzen naar het bestuur, de koepel, het hoofdkantoor of hoe het ook mag heten: dat is niet zijn (m/v) pakkie an. En ik vind dat raar.

Het komt op mij over alsof de schoolleider een veredelde filiaalleider van een keten is: wel de omzet moeten draaien, de roosters van het personeel moeten maken, zitting moeten nemen in de middenstandsvereniging, maar niet de kas mogen tellen. Wel de winkel moeten leiden, in de breedste zin van het woord, maar geen idee hebben wat de bijdrage van het filiaal is aan het grotere geheel. Was het niet dat wat de grote ketens van Nederland de das om heeft gedaan? Want met het wegnemen van die taak, haal je ook het eigenaarschap weg bij die filiaalleider. Waarom zou je bezuinigen als je die bezuiniging niet kan gebruiken voor de verbetering van je eigen winkel? Waarom zou je zoeken naar nieuwe bronnen van inkomsten als je die inkomsten niet zelf mag houden? Waarom een half uur langer open blijven – iets meer doen – als je de opbrengsten daarvan niet terugziet? Het stimuleert niet om dat stapje harder te lopen. De schoolleider is er voor het onderwijs en daarbij lijkt het onderwijs op oude adel: over geld praat je niet. Het lijkt alsof geld geen rol speelt?
Maar dat speelt het wél: die lumpsum is nou eenmaal niet van elastiek en op is op. De lumpsum is gebaseerd op het aantal leerlingen (met allerlei wegingen, ja, maar het grootste deel is gewoon koppies tellen) en leerlingaantal maal som, dat is wat de instelling krijgt. En daar moet je het mee doen. Toch, Arie, Ingrid, Mark?

In het hoenderhok wat de lerarenkamer heet, is er één knuppel die wel geworpen wordt, maar zelden gevangen: geld. Vraag docenten wat ze nodig hebben om goed les te geven en ze ontpoppen zich tot Rupsje Nooitgenoeg: meer tijd, meer materialen, meer middelen. Zelden of nooit hoor je ze zeggen ‘meer leerlingen’ terwijl dat toch de enige knop lijkt te zijn waaraan gedraaid kan worden als het gaat om de mengkraan die geld moet verdelen over de inzet van docenten, lesuren en spullen.
Op social media gaat men los op de lumpsum; besturen die geld oppotten, onnodig dure gebouwen en een verfoeide managementlaag. Er moet meer geld komen; van de besturen én van Den Haag. Geld voor passend onderwijs, geld voor vervanging, geld voor professionalisering, geld voor alles wat docenten nodig hebben om hun lessen goed te kunnen verzorgen. Het probleem is dat er een minister zit die klare taal spreekt: dit is het en hier moet je het mee doen. Het Arie Slob bashen kan daarmee beginnen – en wordt ook volop gedaan – én de aandacht kan verschuiven; naar die managers die blijkbaar van alles doen, behalve goed managen: die arme docent wordt immers niet goed gefaciliteerd?

Van mijn kleuterjuf hoorde ik altijd al dat waar twee vechten, twee schuld hebben, en ook later bleek dat bij het met een vinger naar een ander wijzen, er nog altijd drie naar jezelf wijzen. Met een vinger naar Den Haag wijzen is dus drie naar jezelf wijzen. Niet die docenten moesten staken 6 november, de besturen – mits die inderdaad ook vinden dat ze te weinig krijgen.
Zolang instellingen het echter wél sluitend krijgen ligt het dus niet aan de lumpsum zelf maar aan de manier waarop die besteed wordt. Als ik de Financiële Staat van het Onderwijs, dat andere jaarlijkse rapport wat met minder bombarie uitgebracht wordt, moet geloven lukt het de meeste instellingen wel om de uitgaven binnen de lumpsum te houden – en er zelfs nog wat van over te houden. Het lijkt dus niet aan het geld vanuit Den Haag te liggen. En als het daar niet aan ligt, dan ligt het dus aan de verdeling van dat geld binnen de instellingen.

Besturen moeten dus kijken aan waar ze het geld aan besteden: houden ze met het overschot van de ene school de ander in de lucht? Dan moeten ze niet verbaasd zijn als die ene, die het nu goed doet, het volgend jaar wat minder doet: er is geen beloning voor dat ‘goed doen’. En die ander, die steun nodig heeft, die zal geen nood zien om de tekorten weg te werken: dat doet de koepel immers wel? Kijk daar dus als controleur van die besturen, als onderwijsinspectie, naar: niet naar de financiering op instellingsniveau maar een laagje lager: hoe doen al die clusters het? Daar wordt het werk gedaan, daar moet dat werk passen binnen de lumpsum en dat kán blijkbaar, vindt de minister.

Pas als het in élk onderwijscluster in orde is, kan nog een stap verder gekeken worden. Naar de teams. Geef dan de docenten ook wat zeggenschap, maak hén eigenaar en doe dat vooral transparant. Werk met cijfers, met keiharde euro’s. Er is een bedrag X per leerling, en hoe verdelen we dat? Geef teams de kans dat zélf te verdelen. Meer salaris? Elk leerling in je klas is een stukje financiering, dus neem je er nog drie bij voor meer geld? Of zijn dan bijvoorbeeld materialen minder belangrijk? Minder lesuren? Waarom zou je als team niet kunnen afspreken dat dat kan, maar dan wel aan grotere groepen? Individuele begeleiding? Als jullie regel is dat een klas rendabel is met 25 leerlingen, én daar kan je achter staan, dan heb je als docententeam de keuze hoe je dat invult: één uur per week individuele begeleiding per leerling is meteen de hele week een extra leerling in de groep. Leg die keuze bij docenten. Halve dagen een klasse-assistent? Kan, maar die wil ook salaris, dus dan de klas ook 25% groter. Dat zijn sommetjes die een docent echt wel kan maken.

Ik lees heel veel geschop online; geschop tegen Den Haag, geschop tegen besturen en geschop tegen managers, maar zolang er nog scholen zijn waar het wél lukt, moet de sector vooral naar zichzelf kijken. Zelf dat eigenaarschap opéisen en daar gaan roepen waar de pijn zit. Dus docenten bij hun besturen en besturen eventueel naar Den Haag, indien nodig.

Lerarenregister

Eerder schreef ik al over het lerarentekort en de daaruit voortvloeiende ‘oplossingen’ met onbevoegden voor de klas – desnoods een ouder. Zie hiervoor het hoekje ‘onderwijs’ wat ik speciaal op mijn website heb ingericht: een hoekje vol met voetnoten en apa’s, net wat minder geschikt voor een weblog.
In de kern was dat betoog: lesgeven is een vák, een vak waar een hbo studie aan vooraf moet gaan. De eisen om dat vak te mogen leren zijn pittig – en dat is waarschijnlijk terecht. Kwaliteit gaat misschien ten koste van kwantiteit; vandaar dat lerarentekort.

Om dat lerarentekort enigszins op te vangen mag je – onder voorwaarden – ook onbevoegd voor de klas. Daar zette ik al vraagtekens bij: hoe regel je ‘supervisie van het bevoegd gezag’ als dat bevoegd gezag de directeur is van een koepel met 40 of meer scholen, hoe kan je als docent breed ingezet worden als je alleen in je eigen vakgebied mag lesgeven en hoe gaat die eigen juf of meester een oogje in het zeil houden vanuit zijn of haar bed, want die had immers griep?

Ouders voor de klas (mits de kwaliteit gewaarborgd blijft) leek me kwalitatief en kwantitatief niet haalbaar. De hele rekensom staat in dat andere hoekje dus. Ja, de vákman voor het (beroeps)onderwijs: graag. Vier uur per week maximaal, onbevoegd: dat kan al.

In de aanloop naar de staking van 6 november gaat het nu ook over onderbevoegdheid. Ja, ónder. Dus wel juf of meester zijn, maar niet voor het vak of het niveau. Met PABO lesgeven in het VO, als 2e graads docent lesgeven aan de bovenbouw havo of vwo, als docent Nederlands ook maatschappijleer of ICT geven: dat. ONbevoegd wordt bijgehouden, ONDERbevoegd blijkbaar niet. Wat raar is, want als je als kind het recht hebt op goed onderwijs, moet ook ergens staan wat dat goede onderwijs dan borgt. Je laat de huisarts ten slotte ook niet opereren, hoe goed hij of zij ook als huisarts is. Een schatting (Michelle van Dijk, op Twitter) zegt dat 25% van de leraren op vwo onderbevoegd is, en 25 tot 50% op de havo. Dat is nogal wat zeg.
Wat zou het toch mooi zijn als daar wél gegevens over bijgehouden worden. Via een register ofzo? Opleiding, werkervaring en bevoegdheden. Net als het BIG register: openbaar. Ik kan opzoeken of mijn huisarts ook mag opereren (nee).

Zoiets ook voor leraren? Een lerarenregister? Kunnen ouders dat ook inzien. Zeker nu de open dagen van het VO er weer aankomen: waar kies je voor als ouders? Voor de school waar de leraar natuurkunde ook daarvoor bevoegd is, of voor de school waar de biologie docent dat er maar bij doet? Waar kies je voor: bevoegden of onderbevoegden? Ik zou het wel weten…
Maar dat lerarenregister was alweer afgeschaft. Onder druk van … de leraren.
Soms begrijp ik níets van die groep!

Drie, twee, één: Spring!

De afgelopen twee dagen heb ik in een zwembad gelegen. Iemand wilde een onderzoek verrichten naar reddingsvesten en ik was proefpersoon. ‘Springer’, zogenoemd.
 
Volgens de in mijn studie verplicht gestelde en aanbevolen onderzoek over literatuur (van der Velde et al, 2105, Verhoeven, 2018) verloopt onderzoek in een aantal fases, en voldoet goed onderzoek aan een aantal eisen. Zo moet onderzoek vooral betrouwbaar zijn, waarmee bedoeld wordt dat er zo precies mogelijk gemeten wordt. Tja, daar gaat het met veel onderzoek al mis, zo ook hier. Want je kan alleen precies meten als omstandigheden gelijk zijn, en dat is niet altijd te regelen. Ook al hadden we afgesproken dat we bepaalde zaken zoveel mogelijk gelijk trokken (de manier van springen, de manier van zwemmen in een vest), we merkten dat ervaring mee begon te tellen in de loop van de dagen. Op dag twee waren de springers meer bedreven in de meetfactor ‘in het vlot klimmen’, puur door oefening, om maar wat te noemen. Ook onderzoek wat ik tegenkom over onderwijs heeft met deze betrouwbaarheidseis te maken. Een didactisch model wat in Twente goed werkt, kan in Rotterdam wel eens heel anders uitpakken: de omstandigheden zijn anders: je werkt immers met mensen.  
 
De tweede eis aan goed onderzoek is validiteit: meet je wat je wilt meten? Het is hier vooral zaak af te bakenen, te bepalen wat wel en wat niet binnen je onderzoek valt. Bij het zwemvestenonderzoek – wat deels met crowdfunding gedaan wordt, dus er wordt tijdens het onderzoek al publiciteit aan gegeven – waren er na dag 1 al vragen van belangstellenden: ‘kan je de drenkeling makkelijk aan het vest vastpakken?’ en ‘kan je een drenkeling goed trekken aan het vest’? Ehm, dat zat niet in de vragenlijst van dag 1. De vesten van dag twee daar alsnog op testen, dat is niet eerlijk; niet valide. In mijn eigen onderzoek (naar de betaalbaarheid van mbo-BOL opleidingen in een krimpregio) is het afbakenen misschien wel het moeilijkste. Ik wil niet alleen in centen denken. Maar álle andere aspecten die de kwaliteit van onderwijs bepalen ook meenemen: dat gaat niet. Afbakenen dus.
 
Repliceerbaarheid: als je het onderzoek volgende week, maand, jaar, nog eens doet, kan dat dan? Zijn de onderzoeksmethodes goed beschreven? Deze eis aan goed onderzoek is eigenlijk een valkuil: je gaat in een dergelijk geval ook dingen meten die helemaal niet relevant zijn, of je neemt een methode over die beter kan. In de reddingsvestentest was meegenomen of je makkelijk het trapje op kon komen in het vest: een knelpunt van een aantal jaren geleden. Ook reddingsvesten zijn doorontwikkeld en geen enkel vest gaf nu problemen op het trapje. Moet je dat dan met een volgend onderzoek weer meenemen? Is dat nuttig? Of mag je bij een volgend onderzoek aannemen dat het trapje geen probleem is, en dat vervangen voor een ander onderdeel? Kan je dan nog stellen dat de uitslagen vergelijkbaar zijn? Een ander onderdeel van de repliceerbaarheid is de meetmethode. We hadden nu een Likertschaal: een tot en met vijf met drie als de neutrale positie. Tja, dan krijg je geen extreem uitgesproken meningen; dat is een erkende ‘kwaal’ met de Likertschaal. Een rapportcijfer was beter geweest – en in een volgende test zou ik dat dus doen. Met uitleg waarom, dan mag het wel. In mijn eigen onderzoek heb ik misschien wel het geluk dat er liever niet over geld gepraat wordt als het om onderwijs gaat – ik mag dus zonder vooronderzoek beginnen en hoef me niet te houden aan parameters die een ander voor me gesteld heeft.
 
Goed onderzoek is objectief -en dat is de lastigste. De onderzoeker heeft een onderzoeksvraag waar hij of zij graag antwoord op wil hebben – en meestal niet alleen ántwoord, maar meestal zoekt men de oplossing van een probleem, of het bewijs van een stelling. Mijn MBA-onderzoek is gestart omdat in een krimpregio de inkomsten van het onderwijs niet meer dekkend zijn om het in jaarklassen te organiseren – een probleem waar een oplossing voor moet komen wat geld is nou eenmaal niet rekbaar en de conclusie ‘het kan simpelweg niet en sluit die school maar’ is er niet een die ik wil trekken, hoewel het wel een antwoord is op de vraag. Het vesten-onderzoek begon met de vraag welk vest geschikt is voor dames, die nou eenmaal een andere anatomie hebben dan heren. De onderzoekleidster werd dan ook helemaal gelukkig van de bevindingen van de vrouwelijke testers dat het ene vest als een ‘tietenpletter’ benoemde (door de notulist van dienst braaf genoteerd als ‘oncomfortabel’ 😉) en het andere vest als een ‘vormenvolger’: dit waren het soort uitslagen waar ze op had gehoopt. Verre van objectief, maar wel begrijpelijk. De oplossing voor het probleem komt immers in zicht?
 
Tot slot moet het onderzoek ethisch verantwoord zijn: betrokkenen mogen noch direct, noch indirect schade oplopen van het onderzoek. Die is nog relatief eenvoudig te realiseren als onderzoeker: anonimiseer, laat antwoorden niet herleidbaar zijn naar mensen. Die spierpijn die ik vandaag heb van 24 keer dat vlot in klimmen, dat telt vast niet mee als ‘schade’.
Vandaag richt ik me weer op mijn eigen onderzoek; ik heb de data binnen van klasgroottes en kan met Excel aan de slag. Betrouwbaar, valide, repliceerbaar en objectief onderzoek. Ik spring er weer in.

Lunch

We lunchten tijdens een cursus en tegenover mij was de docent gaan zitten. Ook met een broodje kroket. Hij vroeg me waarom ik in het onderwijs werk. “Dertien weken vakantie per jaar” antwoordde ik.
 
Ik had even geen zin om het échte antwoord te geven. Dat ik niks leuker vind dan de wereld verbeteren, desnoods met één puber tegelijk, en dan te horen krijgen dat ik wel heel veel vakantie heb. Dat is meestal het commentaar wat ik krijg namelijk. De discussie over werkdruk en salaris, en over wat we allemaal moeten in het onderwijs (naast naar het Rijksmuseum, het Wilhelmus zingen en er was recent ook iets met moestuintjes), ik had er even de puf niet voor. Want in tegenstelling tot mijn vrienden en vriendinnen, die ook werken, heeft van mijn werk iedereen verstand. Iedereen is wel eens naar school geweest en iedereen weet dus wat je als juf, leraar of docent moet doen, of zou moeten doen. In die luttele weken dat je wél werkt, wel te verstaan. In de aanloop naar alweer een stakingsdag in het PO, eentje waarvoor de draagkracht bij de ouders met het opraken van hun vakantiedagen steeds minder wordt, weer moeten vertellen dat het werk echt niet klaar is als de laatste leerling naar huis gaat, weer vertellen dat onderwijs echt heel intensief is en je niet af en toe een uurtje achter de kantoorplant kan verschuilen maar dat je altijd 100% op áán moet staan, weer vertellen dat de afgelopen jaren er steeds meer op het bord van onderwijs terecht is gekomen terwijl daar niets noemenswaardigs tegenover heeft gestaan, zeker niet voor de juffen en meesters van de basisschool; weer me opwinden om politiek Den Haag, waar ze elke vier jaar wel weer wat nieuws verzinnen wat dan toch niet houdbaar blijkt, weer in feite me moeten verdedigen omdat ik de normjaartaak van een ambtenaar, die ook 1659 uur per jaar werkt, in 40 weken moet proppen: ik had er even geen zin in. Ik wilde gewoon dat broodje kroket opeten nu dat nog warm was.  
 
“Dertien weken vakantie per jaar” zei ik dus, als antwoord op de waarom vraag. “Ha. Hoeveel écht?” vroeg hij, een hap van zijn broodje nemend. Ik moest even denken. Echt vrij? Geen laptop open, geen mails, geen lessen voorbereiden of wat afmaken? “Zes. Een met  kerst, een in mei, vier in de zomer.” Hij knikte, begrijpend. “Ook lekker”, zei hij. Mijn beurt om instemmend te knikken. Bijna kerst.  

13 weken vakantie per jaar (licht aangepast...)

Op Twitter volg ik iemand wiens Avatar ‘Wonderwoman’ is. Zo’n Japans stripfiguur waarvan je verwacht dat ze inderdaad wonderkrachten heeft. Of in ieder geval heel goed kan vechten. Met stokjes ofzo. Haar twitteradres is dan weer heel meisjesachtig. Het woord Lief zit er in. Een gespleten persoonlijkheid? Ze werkt in het onderwijs. Ik weet niet precies als wat, maar ik vermoed als docente in de bovenbouw van de Havo. Dat leid ik af aan haar tweets in het voorjaar. Als iedereen twittert over terrasjes en mooi weer en zij over de tweede correctie van examens.

Zij begon de zomervakantie een aantal van haar tweets met #zesweken. Ik vond dat leuk, ik heb immers ook zes weken, en ik besef heel goed dat het een luxe is die maar weinig werkenden zich kunnen permitteren. Het is met drie weken aaneengesloten voor de meeste mensen in loondienst wel klaar, en een zelfstandig ondernemer die er zes weken tussenuit gaat midden in de zomer: ze zijn er vast maar ik ken ze niet. Dus toen ik deze zomer eens telde en dacht: er zijn er al weer drie voorbij, twitterde ik ook ‘Op de helft. #zesweken’. Het leverde me meteen een aantal antwoorden op.

De leukste was ‘Nog even volhouden, je kan het! #zesweken’. De retweet van een collega kon ik ook nog volgen. Maar de meeste reacties waren… negatief. Oh, ik heb een zeer beschaafde tijdlijn hoor, schelden doet men niet en ik heb nog geen volgers moeten blokkeren vanwege onappetijtelijk taalgebruik, maar ‘Jij wel! Ik ben al lang weer aan het werk’ en ‘Hard werken hoor, dat onderwijs’, dat kan je toch ook niet positief noemen?

In mijn omgeving hoor ik het ook van vrienden en kennissen. ‘Jij hebt zeker weer vakantie?’ zeggen mijn vriendinnen die zich afvragen wat ze met de kinderen moeten doen met de herfst-, kerst,- of meivakantie of inderdaad, in die zes lange weken zomer. Ze gunnen me het hoor, het zijn mijn vriendinnen, maar een beetje jaloers zijn ze wel. Ik heb het gezeur met in te schakelen opa’s en oma’s nou eenmaal niet; als de kinderen vrij zijn ben ik ook vrij. Nou ja, meestal dan, want onze ‘studiedagen’ vallen natuurlijk nooit samen met die van de school van mijn kinderen.

Ik zal er niet om liegen, toen ik 18 jaar geleden als zij-instromer op een MBO begon, waren die vakanties wel degelijk een argument. Met een man die een hele drukke baan had, zag ik de bui met kinderen op de lagere school al hangen en ik zat niet zo ruim in de opa’s en oma’s. Altijd gelijk met de kinderen vakantie hebben; het was een van de redenen om het onderwijs in te gaan.
Inmiddels geef ik soms het uitgebreide antwoord, maar vaker het korte antwoord. Als men mij weer eens aanspreekt met ‘jij hebt wel heel veel vakantie’, antwoord ik meestal met ‘dertien weken per jaar, en als ik een keer pas om zes uur thuis ben, had ik een latertje.’ De meeste mensen zijn helemaal niet ontvankelijk voor het uitgebreide antwoord, dus ik laat dat meestal maar en neem ze meteen de wind uit de zeilen. Laat ze maar denken dat iedereen in het onderwijs een lui varken is. Ik weet beter.

Wat het uitgebreide antwoord is? In het onderwijs – althans in mijn onderwijs, het MBO- werken we evenveel uren als een ambtenaar. De normjaartaak van een ambtenaar is 1659 klokuren op jaarbasis. De meeste ambtenaren verdelen dit in een 36 urige werkweek, waardoor ze zes weken vakantie per jaar overhouden. En af en toe een vrije dag. Wij BVE-ers (onze cao is de cao voor Beroeps- en Volwassenen Educatie, afgekort BVE) moeten het in 40 weken doen, als we een normaal jaar hebben. Met dank aan de vakantiespreiding heb je eens in de drie jaar een normaal jaar: het jaar ervoor is een lang jaar, van 41 weken, het jaar erna een kort jaar met 39. Maar laten we het even op die 40 weken houden: dan draaien we onze 1659 uur dus in 40 weken, wat ons een werkweek oplevert van 41,475 uur. Ja, drie cijfers achter de komma, want je werktijdfactor wordt in BVE land zelfs in vier cijfers achter de komma uitgedrukt.

‘Ja maar, je bent toch vaak genoeg om vier uur al uit? Of nog eerder?’ Ja, inderdaad. Je rooster, je lessentabel, zet je niet voor die volle veertig uur voor de klas. Hoewel er roostermakers zijn die het nog wel eens willen proberen. Je moet je lessen ook voorbereiden, en daar krijg je tijd voor. Ongeveer de helft van de tijd die je voor de klas staat, heb je ook om je lessen voor te bereiden, repetities te maken, vergaderingen te houden over de leerlingen, het onderwijssysteem, de school in het algemeen en jouw afdeling in het bijzonder en alles wat er nog meer bij komt kijken.

Ik had ooit in een grijs verleden een docent geschiedenis die al jaren hetzelfde lesje afdraaide. Als ik tegen mijn zus zei dat we bezig waren over de tweede wereldoorlog, dan wist zij me te vertellen dat ik de laatste twee weken voor de kerstvakantie ‘The Wave’ zou gaan kijken en dat ik op de repetitie de vraag zou krijgen over welk mechanisme de film ging. Het was ‘hersenspoeling’ en inderdaad, die vraag zat in de repetitie. Mijn zus is tien jaar ouder dan ik.
Dat soort docenten zijn er gelukkig steeds minder. De boeken worden geen tien jaar meer gebruikt en de docenten die maar één vak geven zijn ook op de vingers van een hand te tellen. Dus de uitzonderingen daargelaten, hebben de meeste docenten die tijd voor voorbereiding en nazorg, zoals het heet, ook echt nodig. De leerling is veranderd, en vraagt om actuele voorbeelden. Filmpjes die twee weken geleden op TV waren zijn of saai of allang viral gegaan en een repetitie hergebruiken? Ze hebben er foto’s van gemaakt met hun mobieltje dus als je echt wil weten wat ze geleerd hebben, moet je dat niet doen.

Met een fulltime baan mag je maximaal 1200 contacturen hebben. Contacturen zijn de uren dat je aanwijsbaar met de leerlingen bezig bent. Dat ben je als je les geeft, dat ben je als je je lessen voorbereidt, dat ben je als je vergadert over die leerling, dat ben je op sommige scholen ook als je stagebezoeken doet, en op andere scholen is dit weer apart benoemd. Al je taken en taakjes zijn in BVE land ingedeeld in een Jaartaakbrief. Die Jaartaakbrief begint met je lessen, want dat is je basis. Op ‘mijn’ school is de consensus dat het met 30 lesuren wel klaar moet zijn. Dan begin je elke dag om half negen, heb je gemiddeld een tussenuur per dag, en ben je na zes uren lesgeven klaar. Dat is inderdaad half vier. ’s Ochtends en ‘s middags heb je een kwartier pauze, die je vaak tussen de leerlingen doorbrengt. Alleen tijdens de lunch (een half uurtje) jagen we ze weg uit de docentenkamer, even rustig eten. De andere pauzes gaan op aan vragen van leerlingen, verhalen die ze kwijt willen en rotsmoesjes waarom ze die ochtend te laat waren. Het gesprek in de lunchpauze gaat over leerlingen.

Het lijkt niet veel, die lesuren. Maar reken even mee? 30 lesuren per week, dat is dertig keer 50 minuten. 1500 minuten gedeeld door 60 minuten is 25 klokuren. Dus als je dagelijks van half negen tot half vier aanwezig bent, ben je 35 uur op school geweest, dus daar verdampt al 10 uur. Je hebt op 30 lesuren per week 15 uur voor voorbereiding en nazorg, je hebt dus nog vijf uur over om inderdaad die filmpjes op het net op te zoeken, die extra samenvatting en oefeningen voor ze te maken, die SO’s en repetities te maken en je studiewijzer aan te passen. Voor alle vier of vijf vakken die je geeft. Dat kan een stukje in die tussenuren, maar nooit helemaal. Al was het maar omdat je een werkplekje moet zoeken waar je je computer in kan pluggen. Moet je je voorstellen dat er op een kantoor elke vijftig minuten een bel zou gaan, waarop de hele goegemeente zijn spullen oppakt om het honderd meter verderop weer uit te stallen: computer, boeken waarmee gewerkt werd, pen, papier, eventuele hulpmiddelen… Ik vermaak me wel eens met die gedachte. Het zou een chaos worden. Moet de vetplant dan ook mee en het fotolijstje met ‘denk aan mij’?
Ja, maar je hebt toch 1659 uur? Toch geen 1200 voor echt les? Die andere uren heb je toch ook nog?

Ja, je hebt 459 uur per jaar voor andere dingen, en hoe die ingevuld worden verschilt per persoon. 59 uur worden je ‘cadeau’ gegeven: deskundigheidsbevordering in te vullen naar eigen inzicht. Dus geef je wiskunde dan mag je in die tijd naar de Olympiade. De kans dat je je inleest in de Wet Meijerink is groter, maar dat mag je zelf weten. In mijn persoonlijke geval: ik maak ze op aan het lezen van starterstijdschriften als Sprout en Management Team en het proberen te volgen van de ontwikkelingen op het gebied van wet- en regelgeving en belastingen, die ze niet leuker maken inderdaad. Ik geef marketing en ondernemersvaardigheden…
Nog vierhonderd uur. Die per persoon verschillend worden ingevuld. Teamvergaderingen, onderwijsontwikkeling, clusteroverstijgend vakgroepoverleg, open dagen, voorlichting op middelbare scholen, overleg met het Regionaal Bureau Leerplicht, ontschotten van opleidingen, excursies organiseren, toetsenbankontwikkeling, flipping the classroom, sectoroverleg, overgang VMBO-MBO vergemakkelijken, overgang MBO-HBO aan laten sluiten, werkveldbijeenkomsten, ontwikkelen van doorlopende leerlijnen, aandacht voor Voortijdig School Verlaten, duurzaamheid, innovatie, e-learning en ga zo maar door.

Wanneer ik dan de tijd had om te schrijven? Ik werkte parttime. In het onderwijs. Ik had dus alle tijd!



Burgemeester in badjas

Vandaag, 13 juli 2017, hoorde ik dat Leonard den Beer Poortugael na een kort ziekbed is gestorven. In 2011 heb ik hem onderstaand verhaal voorgelegd. Ik wilde graag zijn biografie schrijven. Hij heeft het gelezen. Zou er over denken. Kwam er vaak op terug. Het leek hem wel leuk. Maar zoals dat gaat: druk. Beiden. Op ons eigen manier.

Het is er nooit van gekomen. Dat ik stopte met roken heeft ook vast niet geholpen.

Dag Leonard. Je zal gemist worden.



Veere, juni 2011.

Ik heb zojuist mijn zaterdagse Volkskrant en slof Marlboro gehaald, en net als elke week, ben ik in het winkeltje een Veerenaar tegen gekomen. Weer een ander dan ik daar normaal tegenkom. Ik moet er om lachen. ‘Handigerd’, denk ik, met een dikke glimlach.

Leonard klaagde graag en veel. Dat het bijna de moeite niet was om zijn winkel open te houden, zeker niet in de winter. Uit mijn gevoel het stadje Veere levend willen houden – en te voorkomen dat het het bewoonde openluchtmuseum wordt waar de gemiddelde toerist, die gewoon midden op de weg blijft lopen het ook voor aan ziet- en een idee dat ik, hoe klein ook, deze markante inwoner graag wil steunen, beloof ik hem dat ik voortaan wekelijks bij hem mijn krant en mijn sigaretten zal kopen, en sindsdien doe ik dat ook.

‘Handigerd’ heb ik sindsdien vaak gedacht. Handige Leonard, want ik ben echt niet de enige tegen wie hij zijn klaagzang heeft gehouden. Handigerd, omdat hij het voor elkaar gekregen heeft dat heel Veere bij hem zijn krant koopt.

Er zit bij mij geen regelmaat in het tijdstip dat ik mijn zaterdagse krant haal; de ene keer is het tien uur ’s ochtends, de volgende keer kom ik om vijf voor zes binnen lopen. Nooit ben ik er alleen, altijd is er ook een andere inwoner. Hij verkoopt meer kranten dan de Bruna? Als het drie, vier uur is, zit er vaak iemand op het stoeltje aan de andere kant van het bureau dat hij als toonbank, kassa, preekstoel en balie gebruikt. Leonard in zijn comfortabele leunstoel die ook draaien kan achter dat bureau, de bezoeker op een rechte keukenstoel ervoor. Soms met een biertje in de hand. Ik kan me zo voostellen dat Leonard dat nog ‘een pijpje’ noemt, dat soort taalgebruik hoort bij hem.

Als ik binnenkom, wordt dan het gesprek onderbroken. “Ik weet wie het is, ik heb er op gerekend” en met een tred die zijn jaren miststaat, gaat hij door het gordijntje naar zijn privévertrekken daarachter, om daar de voor mij apart gelegde Volkskrant en de slof Marlboro vandaan te pakken. Heeft de Volkskrant een actie, of ben ik onverwacht erg laat, dan plaagt hij me. Doet hij alsof hij mijn krant vergeten is apart te leggen. Ik speel het mee en doe aangenaam verrast als hij hem wel heeft “inclusief het magazine hoor, kijk je even of hij compleet is?”

Heel Veere komt bij Leonard. De vrouw die achter mij woont: ze is door hem al op de foto gezet: met hondje. De vrouw op de Kaai, vindt na een paar weken vakantie een pakje van haar merk in de brievenbus, met een kaartje erbij: ‘Welkom Thuis’. De voormalige arts, na zijn pensionering in Veere gaan wonen: hij rookt al jaren niet meer maar haalt er zaterdag een krant. Zou bij hem, net als bij mij, die krant ook wel eens op maandag ongelezen bij het oud papier gaan, omdat er eigenlijk geen tijd was om hem te lezen? Ik heb dat wel eens, zeker in de zomer lonkt het water voor Veere harder dan de Volkskrant. Maar dat tegen Leonard zeggen, zeggen “nee, deze week geen krant want ik heb het druk vandaag en morgen”, dat dóe je niet. Die Middelburgers, wiens enige band met Veere is dat er een boot ligt, nemen hun bezoek mee naar Leonard. Koop daar maar een kaartje. Hou Leonard levend. Die Lichtflits heeft kruit nodig.

Burgemeester in Badjas. In de winter van 2010 had ik een aantal begrafenissen in Veere. Trieste begrafenissen, mensen die te jong waren weggevallen, minder trieste begrafenissen, mensen die een mooie leeftijd bereikt hadden. Ze hadden een ding gemeen, die ter aarde bestellingen. In alle gevallen was het Leonard die aan de groeve of bij de dienst van de gelegenheid gebruik maakte om nog wat te zeggen. Hij kende iedereen, iedereen kent hem, en ja, als ik ooit ga, hoop ik dat hij ook aan mijn graf staat, dat hij ook over mij met een simpele, maar zo mooi vertelde anekdote, een schets kan maken van wat mijn dagelijks leven was. Leonard als onbenoemde burgemeester van Veere, zorgt bij al zijn inwoners voor een laatste woord, zoals dat hoort. ‘Doet’ Leonard geen crematies? In Middelburg, bij het crematorium, heb ik hem laatst niet gezien. Dan moet ik toch maar onder de grond, mocht ik eerder gaan dan hij. Ik wil ook de Burgemeester van Veere bij mijn groeve. De hoogste ambtenaar van Veere zetelt tegenwoordig in Domburg, maar Veere heeft zijn eigen Burgemeester. Het zit in zijn genen.

Ik ben import. Ik ken Veere van vakanties, van bezoekjes met de boot, maar ik ben import. Ik ken meer import, en nu ik hier al weer een paar jaar woon ken ik ook Veerenaren. Het maakt niet uit: iedereen kent Leonard. Ik heb de verhalen gehoord over zijn vader, die Burgemeester mét ketting, die de onsterfelijke regels heeft geschreven: “een goede tip voor nu en later, benader Veere vanaf het water”. Het is dat Veere niet uitbreidt, anders had deze burgemeester wel al een plein gehad. Ik ken de verhalen van vroeger, veertig jaar geleden, over toen hij nog aan het Singeltje woonde en zijn Lichtflits in de Kolve had. De verhalen over klokken in waterputten en kaketrappen: ik was er niet bij maar heb ze gehoord. Ze roepen bij mannen van inmiddels middelbare leeftijd nog steeds een warme glimlach op. Een glimlach bij een leuke herinnering, bij een fijne gedachte aan een soms wat wonderlijke maar altijd aardige man. Ik draal in zijn winkeltje en kijk naar de foto’s. Alles heeft hij gefotografeerd, en niets digitaal. Mocht hij ooit gaan, laat in Godsnaam niemand haast maken om het leeg te ruimen. Niets mag verloren gaan: Leonard heeft een mensenleven vastgelegd met een Polaroid.

Een Burgemeester in Badjas, want ook die badjas is Leonard. Van het vroege voorjaar tot het late najaar ging hij, in badjas, op de fiets, over de Kaai naar de buitensteiger. Zwemmen. Toen de Jachtclub in het najaar het presteerde daar een boot af te meren, exact daar waar hij eigenlijk te water wilde, kon de Voorzitter van die jachtclub met de najaarsledenvergadering onmiddellijk op vragen rekenen. En hij wist de belofte af te dwingen dat het niet nog een keer zou gebeuren. Iedereen mag een beetje lachen om die man in badjas op zijn fiets, maar als diezelfde man tijdens een toneelstuk zichzelf speelt en in diezelfde badjas op het bordes van het Stadhuis staat, en zijn tekst is als enige te verstaan voor álle toehoorders op die markt, wie lacht er dan uiteindelijk het hardst?

Geachte heer den Beer Poortugael, lieveLeonard, u fascineert me. Niet alleen is er een leven in Veere doorgebracht, u heeft het ook op de foto gezet. Mag ik deze zomer uw biografie schrijven? Daar een boek van maken? En dat boek ‘Burgemeester in Badjas’ noemen?



Experiment

Week 16

“Ze zitten alleen maar met hun telefoon te spelen!” “Het kost me zoveel moeite om ze bij les te houden!”
Zomaar twee uitroepen van docenten die je regelmatig in de docentkamer hoort. Maar ook in de gangen hoor je geluiden. “Die vent staat alleen maar te praten voor die klas…” en “het is zo saai”. Dat zijn dan leerlingen.
Als leerlingen bevraagd worden over wat zij als een prettige les ervaren, dan hoor je dingen als ‘afwisseling’ en ‘interactie’. Docenten hebben juist meer moeite met dat differentiëren: de lesstof moet er immers wel doorheen. De verdieping zoeken met de leerling die zijn best doet gaat niet: de leerling die meer hulp nodig heeft gaat daarvoor, en die wordt zelfs niet altijd goed bediend door storend gedrag van de leerling die op dat moment even de focus op de docent niet heeft.

De inrichting van een traditionele lesruimte is frontaal. Alle ogen gericht op die docent voor de klas, die met zijn smart- en whiteboard zijn of haar kennis probeert over te dragen op de leerling. Het is een klaslokaal; ingericht op klassikale lessen.

Een leerling die 8 lesuren per dag op school doorbrengt, zou dus ook 8 uur de focus op de docent voor de klas moeten hebben. Ga er maar aan staan… Een beetje afdelingsvergadering laat al zien dat het ons als docenten al niet eens lukt om 4 uur ‘bij de les’ te blijven.
Voor de leerling is dat klaslokaal niet alleen maar een plek om kennis te vergaren. Het is ook de plek waar het sociale leven (on- en offline) wordt onderhouden, de plek om te grappen en grollen, om te experimenteren en te vervelen. En toch is ons lokaal daar niet op ingericht. We vragen door de opstelling, of dat nou de klassieke treintjes of de U is, dat de leerling maar 1 ding doet: focus. Hoe reëel is dat? We leiden ze op als beginnend beroepsbeoefenaar. Geen bedrijf wat straks 8 uur focus van ze gaat vragen hoor…

Persoonlijk ben ik het al veel langer beu om als politie-agent of kleuterjuf op te moeten treden. ‘You can lead a horse to water, but you can’t make it drink’ denk ik al regelmatig. Als ik wat vermoeider ben, word ik wel eens boos. ‘Ik doe verdorie alles voor ze, maak kahootjes, leg het zo helder mogelijk uit, maar ik kan ze toch moeilijk de hele dag lopen entertainen?!?’ Toen ik dat eens aan een klas voorlegde, kwam terug “ja mevrouw, u bent Jandino niet.”

Als we er nou eens vanuit gaan dat ze best wel willen leren. Maar niet constant hetzelfde nodig hebben…? De ene leerling is nou eenmaal goed in BE en heeft de uitleg van de som op het bord niet nodig. De ander kan nu echt even de concentratie voor Recht niet opbrengen, en wil gewoon zijn spelletje uitspelen. De derde kan je stem niet hebben en leest het liever zelf in het boek. De vierde is dol op kahootjes. De vijfde weet allang dat hij van opleiding gaat veranderen en zit zijn tijd uit. Waarom zou ik mijn lessen, mijn lokaal, mezelf dan niet aanpassen aan al die verschillende vragen, in plaats van de leerling aan te passen aan wat IK wil; les geven?

Blok 4 heb ik de beschikking gekregen over een ‘eigen’ lokaal. Dat lokaal heb ik ingericht rekening houdend met de diverse groepen in de klas. Achterin twee keer een zesje: tegenover elkaar. Middenachter een statafel: als ik een elevator pitch zo kan houden heeft dat al meer relatie met de praktijk dan wanneer dat voor de klas moet. Voorin, in een carré, de rest van de tafels; daar vraag ik focus. Het bureau van de juf naar de zijkant: ook ik heb in een klassituatie twee werkmethodes en –momenten: klassikaal lesgeven doe ik staand, individueel, of dat nou nakijken of met de leerling is, aan mijn bureau. Ik hoef niet steeds midvoor te zijn.
Bij de deur de randvoorwaarden. Een stapel papier, wat rekenmachines en pennen. En mijn zandloper: eerder gestelde randvoorwaarden voor mijn lessen hou ik. Als de deur dicht is, wacht je tot de zandloper is afgelopen, dat duurt maximaal een kwartier. Door het glas is het ding prima te zien. Tot slot hang ik wat lege verpakkingen aan het plafond. Het vrolijkt de boel op, en als het niet hufterproof blijkt, is het in ieder geval geprobeerd. Het hele inrichten heeft me een uurtje gekost. Inclusief een paar plaatjes op facebook, die de reactie “Jouw lesvoorbereiding zit er op, fijne vakantie!” opriep. Nee, dat is nog niet alles. Het vraagt andere werkvormen. Maar daar heb ik de meivakantie voor…

ethiek

In het blog van onze CVB-er lees ik dat hij zich afvraagt hoe we met ethische vraagstukken omgaan. Een pak papier mee naar huis nemen als docent, omdat je thuis nog wat wil printen voor je leerlingen, mag en kan dat?

Ik lees het als een soort pauzenummertje in de hectische laatste weken. Ik kom net uit een vergadering over de teamtaken, en moet nog een studiewijzer schrijven. Om mijn (flex)werkplek heen wordt druk opgeruimd: er wordt een kantoorruimte omgetoverd tot klaslokaal deze zomer, en alle kasten moeten leeg. Van de opbrengst van het oud papier kunnen we vermoedelijk met zijn allen uit eten, (maar dat mag niet van de ethiekpolitie, dus het gaat op de grote hoop) maar er komen ook veel andere dingen uit de kasten. Insteekhoesjes. Toetspapier. Mappen, al dan niet gevuld met nog meer insteekhoesjes. Oude spullen: floppy discs; lesmateriaal uit vervlogen tijden. Weggevertjes van voorbije open dagen. Hier en daar staan er zelfs nog oude logo’s op. Nog meer insteekhoesjes. En spúllen. Lege verpakkingen die gebruikt worden voor lessen; ook dit hoort bij de P van Product. Twee paar oude gympen: ook lesmateriaal. Welke zijn de echte en welke de neppers? Een monopolyspel; daar is ooit boekhouden mee uitgelegd.

Persoonlijke zaken: een paar geluidsboxjes, een tas, een lampje met kerstlichtjes, een pot waar drop in heeft gezeten (heel even maar), bolletjes wol, gebruikt voor mentorlessen, inpakpapier van de cursus inpakken.

In het bakje voor me liggen de 22 pennen aan een koordje klaar die ik als eindejaarcadeautje mee ga geven aan mijn leerlingen. Volgens een bekende internetmeme ga je dood als je je pen verliest; het is mijn grapje voor mijn mentorklasje. Gisteren gehaald bij de Action. Voor dat soort dingen is geen budget, dus ik koop dat zelf maar.

Ik vraag me af hoe de CVB-er daar over denkt….

Zwaar leven

Op Facebook lees ik verontwaardiging over het instellen van een 'bijdrage' voor marifoongebruik. "Het watersportertje pesten is weer begonnen" is de tendens. Een van de Facebookers reageert met een soort 'kom op jongens, 31 euro, waar heb je het over'. En refereert aan een oude column in Zeilen van me. Eentje waarin ik stel dat we met zijn allen niet zo verwend moeten zijn.
In dit geval: we kunnen de sluis ook bellen? Of gewoon geduldig wachten? Maar nee, we willen die marifoon. En dat is dus straks niet meer gratis.

Stop met zeuren. Ga zeilen.

(en dit is de column waar Joke Dekkers naar verweesHappy

Pauze

“De gemeente gaat zich beperken tot zijn kerntaken. Dat is wat we als antwoord kregen toen we nieuwe voorzieningen voor de haven vroegen. Het is een wat omfloerste manier om te zeggen dat we het zelf moeten regelen, maar het is nu eenmaal zo. Dus als we elektriciens in ons ledenbestand hebben, dan het verzoek je te melden.”

“Meneer de voorzitter, dat kan de gemeente toch niet maken? De haven is toch van hen, dan moeten zij het toch regelen? Dat ze ons nou gewoon laten zitten, dat kan toch niet? En dat u het , als club, zomaar accepteert, dat kan toch ook niet?”

De voorzitter zucht. Hij had gehoopt dit onderdeel van de vergadering als een soort hamerstuk weg te kunnen werken. Helaas…

De vergadering was aan het morren. Gemompel met hier een en daar een uitschieter, in de vorm van verontwaardiging, dat was te horen aan de toonhoogte en de woordkeuze. Hoe moest hij hier nu weer mee omgaan? Hij pakte zijn hamertje en tikte een paar keer. Ze werden stil.

“De gemeente heeft aangegeven dat ze het pachtcontract willen handhaven, maar de uitvoering daarvan willen aanscherpen. In de door ons gevraagde toelichting, die we mondeling hebben gekregen, bleek dat de gemeente voornemens is het contract naar de letter op te gaan volgen, en niet meer naar de geest, zoals we gewend waren. Praktisch betekent dat voor ons: de bak, die wij de haven noemen, is van de gemeente. De kadewanden, de randen van de bak, zijn voor dus voor hen. Wat wij als pachter in die bak doen, moeten we zelf weten. En dus ook zelf onderhouden. Willen wij nieuwe steigers, of nieuwe elektra zuilen, dan moeten we dat zelf regelen. Want de gemeente ziet het niet meer als haar kerntaak.”

“Maar we pachten toch? We betàlen! Dan mag de gemeente toch wat terugdoen?”

“De gemeente heeft het jaren wèl gedaan! Waarom opeens dan niet meer?”

“Meneer de voorzitter, als we minder krijgen voor ons geld, gaat de pacht dan ook naar beneden?”

Er kwam een spervuur van vragen op hem af. De meningen van de vergadering rolden over hem heen. De een met nog meer verontwaardiging dan de ander.

Hij dacht aan zijn moeder, die vanaf 1 januari niet langer elke dag een dame had die haar haar steunkousen hielp aan te trekken, maar nog maar drie keer per week. Zijn vrouw reed nu die andere dagen de tien kilometer naar het volgende dorp om haar te helpen. Aan haar buurvrouw, die afscheid had moeten nemen van haar ‘werkstertje’, die eerst elke week kwam voor een paar tientjes per maand en die nu twintig euro per uur moest kosten. Aan zijn eigen buurjongen, die niet meer met het busje naar de dagopvang kon, maar nu dagelijks gebracht moest worden door zijn ouders, die dat op hun werk gelukkig hadden kunnen regelen.

Hij zuchtte. Pakte zijn hamer.

“Dames en heren, het IS zo. Pauze.”

En nu een borrel, dacht hij.

Tandvlees

Opeens begon het, op maandagmiddag. Kiespijn. En niet een beetje, gewoon echt serieus.

Net als de meeste mensen van mijn leeftijd is het gebit een heikel punt. Onze ouders lieten begin veertig gewoon alles trekken en namen fijn een kunstgebit, maar wij zijn moderne veertigers en we willen dus zo lang mogelijk onze eigen tanden en kiezen houden. Dus we poetsen met whitening tandpasta (want de andere optie; stoppen met thee, koffie, roken en drinken is eigenlijk geen optie, toch? ) en als we er aan denken volgen we het advies van de mondhygiëniste op en flossen, stoken en spoelen we. Ik geloof niet dat mijn ouders ooit bij een mondhygiëniste geweest zijn en mijn opa en oma zeker niet, maar elke veertiger heeft een narrig stemmetje in zijn of haar achterhoofd; die afspraak is echt long overdue, dat moet nu echt even…

Wij zijn echter ook de generatie van de schooltandarts. Die omgebouwde bus die het schoolplein op kwam rijden. Die beul die daarin zat. Die nog nooit van verdoving gehoord had en complete klassen moest doen tussen half negen en half twaalf. Tot mijn twaalfde heb ik blijkbaar drie gaatjes gecreëerd in mijn kiezen, alle drie met donkergrijze amalgaan gevuld door de schooltandarts. Wat was ik bang van die man. Mijn beide pubers snoepen echt niet minder dan ik toen deed, en poetsen ook niet beter, maar hebben beiden nooit ook maar een gaatje gehad. Ik denk wel eens dat die schooltandarts mijn gaatjes verzonnen heeft. Dat hij af mocht rekenen per gaatje. Want laten we wel zijn: drie gaatjes tussen zes en twaalf, en dan pas weer een met 37? Het riekt.

Bij de mondhygiëniste voel ik echter hetzelfde als bij de schooltandarts. Ik heb niet goed gepoetst. Ik krijg straf. Terwijl ik echt twee keer per dag poets. Ok, niet elke dag flos. Een paar keer per week. En ragen ook niet elke dag. Of stoken; af en toe. Maar het is toch goed? Wit?

“Je hebt parodontitis” zei ze de laatste keer. Meer dan een half jaar geleden. Jaja, long overdue.

Optrekkend tandvlees. Dat gebeurt na je veertigste. Alles gaat hangen, behalve je tandvlees, dat trekt op. Met een zorgelijk gezicht liet ze me zien dat er ruimte zit tussen tandvlees en wortel. Dat mijn wortels nog maar een paar millimeter in mijn kaakbeen zitten. Wat ik er aan kon doen? Nou, niks. Tandvlees trek je blijkbaar niet zomaar meer naar beneden. Dus schoon houden, zorgen dat er geen restjes tussen dat tandvlees en de wortels kan gaan zitten, wat dan weer gaat rotten en de boel van binnenuit verstiert.

Dus ik heb alle hulpmiddelen in huis. Die ik vervolgens volkomen negeer. Twee keer per dag poetsen, dat moet maar genoeg zijn. Afgelopen jaar beet ik in een broodje kroket en brak ik een kies. Dat was de laatste almagaanvulling die mijn tandarts, met veel verdoving en zalvende woorden, heeft vervangen voor een witte vulling. Na de schooltandarts heb ik een bange mensen tandarts gekozen. Wat een schat, die man. Indien nodig verdooft hij je al in de wachtkamer.

Maar maandagmiddag begon het opeens. Kiespijn. Alsof er wat klem zit tussen kies en kaakbeen. Kauwen doet pijn. Maar ik weet inmiddels ook dat het ten dele psychosomatisch is. Ik begin de uitdrukking ‘op je tandvlees lopen’ steeds beter te begrijpen. Als ik moe ben, het beu ben, slaap tekort heb, dan merk ik dat aan mijn gebit. Omdat ik mijn gebit dan ook verwaarloos: dan ga ik ook wel eens naar bed zonder te poetsen, of pak ik ’s ochtends niet de volle vijf minuten poetsen en raffel het af. De Tandenfee straft onmiddellijk. Jij niet goed voor jezelf zorgen? Poef! Pijn!

Het is de laatste week. Nog even. Heel even. Het is nu dagen tellen. Nog drie vergaderingen, twee sub overleggen, een diplomering, een teamuitje. En dan is het klaar voor dit jaar. Klaar. Zes weken zomervakantie. Zes weken. Zes weken waarin ik elke dag zal ragen, flossen, drie keer per dag poetsen zelfs, ok? Tandenfee? Ok? Hebben we een deal? Mag die kiespijn nu weg?

SM - meesteres

De afgelopen maanden heb ik een opleiding gevolgd: nationaal (social) media coach. Om mijn collega’s op de hoogte te houden stuurde ik wekelijks een verslagje. ‘Kedeng kedeng berichten’ noemde iemand ze, want ik schreef ze in de trein. Want alles wat ‘lekker centraal in het land’ georganiseerd wordt, betekent voor een Zeeuw dik twee uur reizen…

In het onderwijs loopt je mailbox altijd belachelijk snel vol. Nieuwsbrieven, mails van leerlingen, collega’s en ouders, en alles gaat in dertigvoud in cc, want niemand mag iets missen. Als je dan met je verslagje nog een beetje op wil vallen, en gelezen wil worden (en diep in mij huist een schrijfster, en schrijfsters willen gelezen worden), dan moet je zorgen voor pakkende titels. Aanklikken is de eerste stap naar verder lezen, dus ik had een uitdaging.

Dus week 1 was de onderwerpregel ‘SM’. Even checken hoe dirty de minds inderdaad zijn op de donderdagochtend. En dan gortdroog uit gaan leggen wat een media coach nou precies is, kan en kent. Zoete wraak.

Week 2 was het opeens, in het vroege voorjaar, onverwacht een paar dagen mooi weer. ‘Gekleurd’ was dus de titel, en daarin riep ik onder andere iedereen op om eens te kijken naar het nieuws door andere ogen. Het is echt bizar hoe anders een zender als Russia Today naar het wereldnieuws kijkt.

Week 3 begon met een citaat. Over de jeugd van tegenwoordig.

‘De jeugd houdt tegenwoordig van luxe.
Ze heeft slechte manieren,
veracht alle gezag,
heeft geen respect,
en praat als ze zou moeten werken.’
Ik zag mensen al instemmend knikken achter hun laptop. Het is me wat, met die WIFI generatie waaraan we les moeten geven… Altijd online, in zichzelf, of beter, in hun device, gekeerd, waarmee ze ook nog eens duizend keer sneller en handiger zijn dan wij, poepoe… Dat het citaat van Socrates was, die leefde van 469 tot 399 voor Christus, die hadden ze waarschijnlijk niet aan zien komen.

Week 4 was mijn inspiratie even op. Misschien hielp het ook dat het op school meivakantie was, maar in de opleiding niet? Plus dat ons, als professionals werd uitgelegd dat wij niet de experts zijn. Eigenlijk moeten we aan de jongeren vragen: leg ons eens uit…? ‘Leg dat maar eens uit’ was dus de titel. Want ik ging die keer met meer vragen dan antwoorden weg uit Utrecht.

Week 5 was weer vertrouwd terrein. Money makes the web go round; over commercie op het internet. Tja, als docent marketing en ondernemen hoorde ik niet zoveel nieuws. “If you are not paying, you are the merchandise”, dat wist ik al. Want hoe kan een Feestboek anders bestaan?

‘Ouderavond’ was de titel de zesde week. Haha, ik zag ze schrikken. Een extra ouderavond? Natuurlijk was dat niet het geval. Wel ging het over hoe je ouders betrekt bij het net, en bij de activiteiten van hun kinderen op dat net. De week erna was ik op vertrouwd terrein, want MMORPG is hier in huis dagelijkse kost. Massive Multiplayer Online Role Playing Games; mijn puber doet niet anders. En nee, ik vind dat niet erg. Ik vraag gewoon aan tafel eerst hoe het op school was, en daarna hoe het op het internet was. En ja hoor, hij leest ook, maakt u zich niet ongerust.

‘Back to the future’ was natuurlijk een mooie titel voor het blog over de futuroloog, en ontaarde in een discussie wanneer Marty McFly nou precies de toekomst ontmoette. Was dat vorig jaar, of is het dit jaar pas? (PAS????!!!??? ) Een heerlijke bijeenkomst met alleen maar vragen en fantasie: welke banen verdwijnen? Welke ontstaan? Geld of de bitcoin? Robotisering? De twee-urige werkweek? Alles kan, dat dacht George Orwell ook al toen hij 1984 schreef. 1984: toen was ik 13… Waar is mijn 'toekomst' gebleven?

De laatste inhoudelijke bijeenkomst ging over transmedia storytelling. Een erg ingewikkelde term voor het afstemmen van je communicatie via alle kanalen die je maar kan verzinnen, en over hoe je allerlei partijen kan verleiden tot het betrokken zijn bij jou als organisatie. Wat doet je vader? Was de titel, want denk eens aan het potentieel aan gastsprekers die we in huis hebben? En mijn teamleider weet nu ook dat mijn vader loodgieter was, want zo’n vraag komt dus meteen bij je terug, daar kan je op wachten…

Zes weken geleden heb ik het te schrijven beleidsstuk ingeleverd en een maand geleden was het examen. Een lamme hand, want het is allemaal schrijfwerk, drie uur lang, maar blijkbaar goed, want ik hoorde vandaag dat ik mezelf nu Nationaal Media Coach mag noemen. Hoewel… een collega reageerde met ‘oh, dus je bent nu SM-meesteres?’ Ehmm…

inspectie

Week 14 – Inspectie

‘De inspectie van het onderwijs’. In onderwijsland kortweg ‘de inspectie’ genoemd en ik heb een aantal collega’s die in dienst hebben gezeten en die een treffende vergelijking kunnen maken met een feodale korpscommandant die met een witte handschoen over de bovenkanten van kasten en over plinten heen ging om te kijken of er nog ergens stof lag. Kortom: ‘de inspectie’ op bezoek; het is enige reden tot stress.

In mijn eerdere leven heb ik ook te maken gehad met inspecties en dan wist je: tijd om je terrein te vegen, je vuilnisbakken te legen en je net wat beter voor te doen dan je in werkelijkheid bent. Dus opruimen die voorraadkast want je weet nooit of die open gemaakt gaat worden. Net zoals we allemaal een beetje nerveus worden als we een ‘fuik’ van de politie zien staan; ook al hebben we niets gedronken en zijn onze eigendomspapieren en rijbewijs heus in orde: controle zorgt voor stress. Hoe zeker je ook bent van je zaak: het blijft een beetje of je schoonmoeder komt eten. Dat is een menselijke reactie en er is ook niks mis mee. Maar…

We hadden deze week de inspectie op bezoek. In tegenstelling tot een politiefuik kondigt de inspectie haar bezoek aan, en kan je je er dus op voorbereiden. Maar ja, wat moet je voorbereiden? Gaan ze vragen naar je rijbewijs (in mijn tas, nee, geen tas gewisseld deze week, dus het ligt niet per ongeluk thuis, in die andere tas), naar je autopapieren (in het dashboardkastje, jahaaa, ik weet dat dat niet verstandig is, maar ik wil een handtas, geen big shopper), of gaan ze controleren op dingen waar je zelf ook geen verstand van hebt? Bandenspanning? Oliepeil? Katalysatorwaarden? (Wat? Katalysatorwaarden. Ja, dat doen ze soms. Ik weet ook niet wat het is. Maar de boete is fors.)

Deze inspectie zou eerst een les komen bezoeken, daarna praten met leerlingen en docenten, (los van elkaar, heel eng, wat gaan die kabouters zeggen?) daarna met allerlei functionarissen, en aan het einde van de dag zouden ze ons hun eerste indruk van hun salomonsoordeel al kunnen geven. Ok. Dat kan…

Die les bezoeken: ze hadden bedacht dat ze dat het eerste uur zouden doen. Een uur dat de betreffende klas normaal geen les heeft! Maar een roosterwijziging er tegen aan gegooid, het achtste naar het eerste en we zijn er klaar voor. Nu maar hopen dat de klas het ook ziet. En welke les hebben ze dan?

Marketing. Ik was de klos. Ze zouden in mijn les komen. Ik ga nu niet liegen en zeggen dat ik al mijn lessen 100% voorbereid. Dat deed ik toen ik net begon als docent, toen stond ik voor de spiegel mijn les op te nemen met een timer en raakte ik in paniek als ik voor een les van 50 minuten maar 30 minuten tekst bleek te hebben. Dat is voorbij; inmiddels weet ik dat ik op interactie van de klas kan rekenen, dat 30 minuten dus heel gemakkelijk naar 50 kunnen groeien en dat niet in elke 50 minuten verschillende werkvormen naar boven kunnen komen. Soms heb ik iets wat frontaal moet- in mijn ogen dan- en soms kunnen we met samenwerken meer bereiken. Soms is een ‘tooltje’ waarmee je een les interactief maakt nuttig (met een ‘device’; oftewel; ze mogen met hun telefoon spelen), soms ook niet. Soms zijn mijn lessen leuk, en soms saai. Het is net het echte leven?

Deze les stonden de leerlingen om te beginnen voor het verkeerde lokaal. Tja, roosterwijziging. Ze waren er, dat vond ik al een plus, maar dat werd niet meegerekend. ‘De inspectie’ merkte (terecht) op dat niet de hele onderwijstijd benut werd. Gee. Ik ‘activeerde de voorkennis’ door te zeggen waar we het de vorige keer over gehad hadden, en ik vroeg naar het huiswerk. Ze moesten iets meenemen wat betrekking had op een prijs die ze verbaasde. Een leerling kwam met een bonnetje van een aangetekende brief -“waarom moet het zo duur zijn als de postbode aan moet bellen?”- een ander met een pakje kauwgum waar hij meer dan twee euro voor had betaald. Kortom; ze waren echt zo zoet als suiker. Wat een voorbeeldige leerlingen. Wakker EN meedoen. Heerlijk. De enkeling die te laat kwam begroette ik bij naam -“Goedemorgen Klaas, kom binnen, fijn dat je er ook bent”- maar omdat het geen ‘lastig gedrag’ was dat er af en toe eentje te laat kwam besteedde ik er verder geen aandacht aan. Ze kwamen te laat, maar gingen zitten en deden mee. Niet lastig, geen aandacht aan besteden. Dat was een andere cursus. Later bleek dat ‘de inspectie’ hierover gevallen was. Tsss.

Na het bonnetje van de aangetekende brief, de kauwgum en het rekenmachientje van negenentachtig cent -“hoe kan het?- hele kleine vingertjes”- wilde ik de voorbeelden al afronden toen er nog een artikel was wat verbaasde over prijs. Tim, altijd op het randje zoekend naar grappen waar hij wel en waar hij niet mee weg komt, hield provocerend een condoom omhoog. “Mevrouw, hoe kan het dat Durex echt vijf keer zo duur is als het eigen merk van Kruidvat? ”

Het is nog geen negen uur ’s ochtends en we hebben het over condooms. Nog gedetailleerder: het is nog geen negen uur ’s ochtends, DE INSPECTIE ZIT BIJ DE LES en we hebben het over condooms. Ik kreeg het een beetje warm. Dit had op geen enkele manier in mijn voorbereiding gezeten? De vraag van Tim roept vervolgens een vervolgvraag op; waarom zitten condooms niet in de zorgverzekering en de pil wel? (Ik weet het niet.) Maar de discussie die volgt vind ik hilarisch. Dingen als ‘keuzes maken’ en ‘baas in eigen buik’ komen voorbij. Argumenten als ‘een soa krijg je voor de lol, een zwangerschap niet’, en een welgemeend ‘het is niet echt NODIG he, een condoom’. Als een derde leerling vervolgens met een uitgestreken smoel vertelt dat je, indien je wisselt van zorgverzekering, je gratis zoveel condooms kan krijgen als je nodig denkt te hebben, en een volgende daar weer op reageert met ‘je gaat toch niet van zorgverzekering wisselen omdat je goedkoop wil neuken?!?’, dan heb ik het niet meer. Het is nog geen negen uur, er zitten twee bloedserieuze dames van ‘de inspectie’ bij me in de klas; het onderwerp is Durex, en ik denk alleen maar 'wat denken die dames' en ik kan niet meer stoppen met lachen. Ik moet even het lokaal uit want de tranen in mijn ogen en de snot in mijn neus: dat past niet in mijn vest en een zakdoekje zit niet in mijn tas. Ik moet even naar de wc.

“Gebeurt dat vaker?” schijnt ‘de inspectie’ te hebben gevraagd terwijl ik, de tranen van het lachen over mijn wangen rollend, even weg liep.

Beste politie, als u mij aanhoudt: ja, ik HEB een rijbewijs, mijn autopapieren ZIJN in orde, en ik weet niet wat mijn katalysator doet, maar de garage zegt dat het goed zit. Ik lach u niet uit. Ik denk aan Durex.

Appje

Heel, heel soms zeggen ze bij Zeilen: Jet, doe maar niet, die column. Om hen moverende redenen die ik dan begrijp, en dan schrijf ik een ander. Dit is zo'n 'afgekeurd' exemplaar...

“Een vrouw en een kip, is de pest voor je schip.”

“Pardon? Wat zit jou dwars?”

“Jij. Nou ja, jullie. Niet jij per se, maar vrouwen. In het algemeen.”

“Mijn ervaring is dat een dergelijke uitspraak over een soort meestal ontstaat vanuit ongenoegen over één exemplaar van die soort. Dus leg uit, met welke dame heb je nou weer ruzie gemaakt?”

“Ik maak nooit ruzie. Nee, nou niet zo verbaasd kijken, ik maak nooit ruzie. Met mij kan je alle kanten op, ik vind het allemaal best. Maar vrouwen? Vrouwen, die zijn zo ontzettend veeleisend! Daar wordt je als man zijnde echt helemaal gek van!”

“Ja, en de gemiddelde man is een mak lam dat zich gewillig laat leiden. Leg uit. Was je pinksterweekend niet zo geslaagd?”

“Hoe raad je het. We waren een weekendje weg. Natuurlijk eerst weer die traditionele discussie over wat je allemaal wel en wat je niet mee hoeft te nemen op een boot, maar eenmaal geladen met de waterlijn een centimeter of wat hoger, en het eerste flesje open, leek het wel gezellig te worden. Tot we het, eenmaal door de sluis, eens moesten worden over de plaats van bestemming. Nou heb ik een Appje, met daarin alle havens, en dan kan je zien wat de voorzieningen zijn, en ook reserveren, en aangezien half België en Duitsland ook weer aan het drijven was in die Zeeuwse Delta leek het me wel een goed plan om een box te bestellen. Tja, ik weet niet hoe het met jou zit, maar als ergens twee meter verval is, vind ik het meestal niet zo fijn om te dubbelen. Je weet immers maar nooit hoe het schiemanswerk van de buurman is, dus…”
“Ik vind het altijd wel lekker, dubbelen. Een beetje weg van die herrie op de steiger, en als je dan als buitenste ligt heb je in ieder geval fijn uitzicht. Plus dat ik het meestal gezelliger vind om naast iemand te liggen die aan boord is dan tussen twee verlaten boten op hun vaste ligplaats.”

“Ja, dat is nou weer typisch vrouwelijk. Als het maar ‘gezellig’ is. Maar dat de buurman van die fenderhoezen heeft waar zand zo fijn in blijft zitten, waardoor jij allerlei krassen op je lak krijgt, daar denk je dan niet aan hè. Of fijn naast een platbodem, die hebben van die stalen randen langs de zwaarden. Gelcoatpeelers zijn dat.”

“Kwestie van een beetje opletten, wil op de juiste plaats hangen. Maar vertel, jullie zaten op dat water, jij op je Appje, en toen?”

“Nou ja, ik stelde een paar havens voor, allemaal prima voorzieningen. Wifi enzo, want ik wil toch wel graag elke dag het nieuws even zien en het weer checken op Windguru, en lekker douchen, dus. Maar nee, ze moest en zou door het Brabants Vaarwater. Dus ja, dan is de keuze beperkt.”

“Waarom per se dat Brabants Vaarwater dan?”

“Daar blijken de zeehonden te wonen.”

“En dat wist jij niet?”

“Nee, hoe moet ik dat weten? Daar is geen Appje van!”

Zwemvest

“Wat had jij nou laatst weer voor zuur commentaar op mijn Facebook? Dat we een zwemvest aan moesten doen?”

“Ja, maar dat doe ik niet alleen bij jou hoor. Dat doe ik bij elke foto die ik in deze maanden voorbij zie komen en waar ik blije eikels, meestal ook nog met een blik in de hand, een rakje zie maken in volle bepakking maar zonder ploffer. Ik vind dat zo stom.”

“Angsthaas. Er gebeurt echt niks hoor. En anders hebben we de KNRM?”

“Lekker makkelijk is dat. Die rukken vast met liefde en plezier uit als er wat aan de hand is, maar ik betwijfel of ze het leuk vinden om een lijk uit zee te moeten vissen. Geef jij, ben jij redder aan wal?”

“Ja, natuurlijk, braaf elke maand!”

“Lees je dat blad van ze ook? Ik las laatst dat ze gemiddeld twintig keer per jaar een man overboord melding krijgen en dat loopt meestal slecht af. Tik van de giek gehad, ’s nachts, uitgegleden op een glad dek, noem het maar. Ik kan me daar ook wel een paar stommigheden bij voorstellen. Zoals wat jij doet: zeilen in de winter, zonder goede ploffer. Weet je hoe zwaar je bent met al die laagjes aan? Jullie hebben vermoedelijk helemaal niet de juiste zwemvesten aan boord, waarschijnlijk allemaal van die 150-ers?”

“Er zijn er een paar die hun eigen zwemvest hebben, maar inderdaad, die dingen aan boord zijn 150. Dat is toch genoeg?”

“Ja, in de zomer wel ja. Maar je zou voor de gein eens met je pak en je laarzen aan moeten gaan zwemmen komende zomer. Ik ben eens gesprongen, in de zomer, met alleen een windstoppertje aan, je weet wel, een fleece met binnenlaag, en ik was heel blij dat ik goed kan zwemmen. Zwaar! Het is prima dat je wat thermo-ondergoed aantrekt onder je kleren, en daaroverheen nog een pak, en dan een muts, handschoenen en laarzen, want het is koud. Wat ik echter niet begrijp is dat je dan met al die lagen dat ene laagje dat je leven kan redden, overslaat want dat zit dan zogenaamd niet lekker. Je hebt al zoveel lagen aan dat je een aardige imitatie van Bibendum doet, je kan je al amper meer bewegen, dus dat kan er toch ook wel bij? Je kraag staat tot je oren opgetrokken, je hebt een muts op je kop, je ziet het ding niet eens, laat staan dat je hem kan voelen.”

“Bibendum?”

“Het Michelin Mannetje. Moet met zijn gewicht ook wel een 275-er, elke Newton is een kilo. Nou zonder dollen: je zinkt als een baksteen hoor. En ga nou niet zeggen dat je nooit over de muur gaat, dus waarom nu wel, want een keer is genoeg.”

“Ja, er is wel wat voor te zeggen. Ik zal het eens in de groep gooien. Zeker voor diegenen die het voordek doen.”

“Nee, allemaal. Dus ook die stuurman: vestje aan. Zeker nu. Wist je dat de meeste drenkelingen in de winter met open gulp uit het water worden gehaald? WC is winterklaar, dan de achterstag maar…”

(deze column verscheen eerder in Zeilen, februari 2013. Kijk ook eens op hun website, of op het Feestboek!)

Verzonnen


“Jij schrijft toch die verhaaltjes in Zeilen?”

“Als je die column achterin bedoelt: dat ben ik ja.”

“Waarom schrijf je niet gewoon eerlijk op dat je dat allemaal zelf bent?”

“Omdat ik het niet allemaal zelf ben?”

“Ja, natuurlijk wel. Of je hebt het zelf zo gehoord.”

“Nee? Nee, echt niet. Ik hoor een halve zin en verzin daar een hele column bij. Zo werkt dat bij mij. Ik ben geen journalist, ik ben schrijver. Verhaaltjes verteller.”

“Nah, dat kan niet. Ik geloof er niets van dat je het niet gewoon zo hoort, en het dan alleen maar hoeft op te schrijven. Dat kan je niet zo verzinnen, dat moet je gehoord hebben. ”

“Was het maar waar. Nee hoor, ik hoor iets, een zinnetje, of gewoon algeheel gemopper. Wie uit jouw bootjes-kring loopt niet te zeuren over het onderhoud, wie heeft er niet altijd meer spullen mee naar de boot dan van te voren had bedacht en wie heeft er niet af en toe thuis ruzie over de tijd die in die boot gaat zitten? Dat lijkt me aardig universeel, dus ja, dat maak ik mee. Maar dat maak jij ook mee. Soms is het dan een zinnetje waardoor ik het hele gesprek voor me zie, bijna kan horen, en soms verwerk ik zelfs dat ene zinnetje in een column, maar het meeste is van begin tot eind verzonnen. Of beter: ik zie het voor me, alsof ik het meegemaakt heb, en dan heb ik het weer net even anders beschreven.”

“Ja, dat zeg je nu wel, maar neem nou die column over die man die elk jaar met zijn familie strijd moest hebben over de vakantie. Of dat van dat een jaar bezig zijn met onderhoud. Die van het weer zout ruiken als je Zeeland weer in vaart. Dat heb je toch gewoon zelf meegemaakt?”

“Nee , dat heb ik niet zelf meegemaakt. Ik heb geen ruzie over de invulling van de vakantie, maar ik kan me de bonje thuis wel voorstellen. Dus daar kan ik dan een stukje over schrijven. Dat zout ruiken, ja dat rook ik wel, ooit een keer, maar de discussie over wat je dan precies ruikt is nooit zo gevoerd, en schrijven over onderhoud? Dat is als ik even geen inspiratie heb. Onderhoud, daar heeft iedereen beeld bij. Dat is zo universeel. Koop een boot, werk je dood? ”

“Dus je verzint het allemaal? Alles?”

“Ja. Dikke duim heb ik he?”

“Die man op de Hiswa, die vent in de bouwmarkt, dat zeilen in het Engels, die auto’s vol met spullen voor drie dagen zeilen, die pech met het onderwaterschip: dat is allemaal verzonnen? Alles?”

“Ja. Geïnspireerd door wat ik zie en meemaak, dat wel. Maar de dialogen zoals ik ze opschrijf: allemaal uit mijn duim. Van a tot z aan elkaar gefantaseerd. Niet Echt Gebeurd. Gelogen, zo je wilt.”

“Alles? “

“Alles.”

“Dus als ik dit teruglees in Zeilen…?”

“Dan heb ik dat zojuist verzonnen. Dank je wel trouwens. “

(deze column verscheen in het januarinummer van Zeilen. Kijk ook eens op hun website: www.zeilen.nl)

Dag Sinterklaasje!

Sinterklaas is weer weg.
In de huishoudens met gelovers is de rust weer teruggekeerd en mogen schoenen weer onder de kapstok, hoeven de folders niet meer kapot geknipt worden voor de verlanglijstjes, staat voorlopig geen hutspot meer op het menu (wat moet je anders met al die wortels voor het paard?), gluurpieten houden zich niet meer op in donkere hoekjes en herrie op het dak is weer gewoon de wind en niet misschien wel een paard.
Hier geloven ze niet meer, maar 6 december is de dag dat ik het laatste restje behangplak voor papier mache toch maar weg gooi, de restjes sintpapier weer in de kast stop en we weer gewoon op elkaars kamers mogen komen – de surprises zijn inmiddels niet alleen af, maar ook al weer gesloopt om bij het eigenlijke cadeau te komen.

Drie weken gekte. Heerlijk. Intocht, schoenen zetten, surprises maken en rijmen. Ik hou er van.
Collectief nemen we met zijn allen jonge kinderen in het ootje, van de intocht tot gisteren. “Dank u Sinterklaahaasje”; zelfs volwassenen die beter zouden moeten weten zingen het na de vierde chocoladeletter.

Maar een ding begrijp ik niet, en dat is waarom het als zo’n nachtkaars uit gaat. We gaan wel met zijn allen bij die intocht staan, die intocht wordt zelfs live op TV uitgezonden, maar Sint en zijn gevolg worden na zes december totaal vergeten. Ondankbare honden zijn we, allemaal!

Ik pleit dan ook voor een nieuw fenomeen in Klazenland: de uittocht. Zes december met zijn allen weer naar die haven en zwaaien maar!
De pieten gooien de allerlaatste pepernoten richting de kade, het paardje huppelt het dek op en neer want hij ruikt de stal al, Sint zwaait nog één keer naar de verzamelde meute kinderen die dit jaar niet alleen als Zwarte Piet, maar ook als blauwe, gele en multi-color Piet zijn geschminckt (zonder oorbellen!), en zet dan weer koers naar Spanje.
Zie ginds gaat de stoomboot op Spanje weer aan. Het past in het ritme van de muziek.

Dag Sinterklaasje!

(dit blog verscheen eerder, in een andere versie, op Hyves. Maar dat weet niemand meer. Of je wil het niet meer weten...)

Rijke stinkerd

“Hee collega, leuk je weer te zien! Hoe was je vakantie?”
“Heerlijk. Drie weken met de boot weggeweest, prima weer gehad, heel gezellig.”
“Oh ja, dat is waar ook, jij bent zo’n rijke stinkerd door wie ik altijd voor de brug moet wachten.”
“Weet je dat ik dat dus echt niet leuk vind, dat je dat zo zegt? Waarom ben ik per se een rijke stinkerd omdat ik een boot heb? Wij doen exact hetzelfde werk en ik mag er dus vanuit gaan dat we ook ongeveer hetzelfde verdienen. Waarom ben ik dan een rijke stinkerd en jij niet?”
“Ik ben zeker geen rijke stinkerd. Dus ja, nou je het zegt, jij waarschijnlijk ook niet. Maar geef nou toe; de meeste mensen met boten hebben geld.”
“Dat hoeft helemaal niet hoor. Het zijn gewoon keuzes die je maakt. Jij hebt toch een caravan met seizoenplaats?”
“Gewoon een sleurhut met voortent hoor, niets bijzonders.”
“Daar heb je het dus al. Ik klaag toch ook niet dat ik voor de brug moet wachten tot al die caravans er over zijn? Of nog erger: de campers? Waarom heten die dingen trouwens allemaal ‘Rapido’? Ze kunnen allemaal hun gaspedaal niet vinden!”
“Een camper is ook duurder dan een caravan.”
“Daar gaat het me helemaal niet om. Ik word af en toe zo moe van het vooroordeel dat mensen met boten rijk zijn. Zullen we het even vergelijken? Mijn boot is uit 1978; 35 jaar. Dat haalt een caravan niet hoor. Nou is het wel zo dat een caravan misschien minder onderhoud nodig heeft dan een boot; ik heb jou tenminste nog nooit gehoord over ‘knippen en scheren’. Poetsen en in de was zetten doe jij echter ook, jij hebt ook een kachel op diesel, een gasslang die elke drie jaar vervangen moet worden en elektra dat op 12 volt werkt en het dus af en toe niet doet. Dus: aanschaf, afschrijving, onderhoud en reparatie: ik denk dat we per saldo ongeveer even duur uit zijn.”
“Ja, maar dan ben je er nog niet, toch?”
“Nee, dan ben je er nog niet. Jouw ligplaats heet de camping, en jouw winterberging is de schuur van boer Janse. Dus weer zijn we ongeveer even duur uit.”
“Ja, als je het zo bekijkt…”
“Zo moet je het volgens mij ook bekijken! Jij laat af en toe de stiksels van je voortent nalopen, ik die van de zeilen. We moeten er allebei voor sparen als we iets nieuws willen, of het nou een buiskap is of een nieuw vlonder. Laten we wel zijn, jouw caravan, mijn boot; het zijn allebei dure hobby’s. Maar ook hobby’s die de prijs waard zijn: je komt nergens zo tot rust op een zaterdag na een drukke werkweek als zittend voor je voortent of op je achterdekje.”
“We zijn dus eigenlijk allebei rijke stinkerds?”
“Nee, ik ben in ieder geval geen rijke stinkerd. Jij misschien…”
“Hoezo nou ik wel en jij niet?”
“Ik stink niet. Het tocht lekker door hoor, op dat water!”


(deze column staat ook in Zeilen van oktober 2013. Zie ook hun website www.zeilen.nl)

zomertje

Kindertjes die vragen worden overgeslagen. Maar ik vind het onderhand het proberen waard...

Ik wil katoenen broeken aan en blote benen. Ik wil mopperend mijn schoenen uitschoppen: te warm. Ik wil klachten van mijn dochter dat haar favo bikini in de was is en klachten van mijn zoon dat er op school geen airco is. Ik wil slapen onder mijn Turkse dekentje, dat eigenlijk niet meer is dan een dik laken, omdat het dekbed echt veel te warm is. Ik wil 's avonds om tien uur nog de tuin gaan sproeien omdat het daarvoor toch meteen verdampt. Ik wil alle ramen tegen elkaar open zetten zodat het een beetje door kan waaien. Ik wil zelfs hollend door het huis om ze allemaal dicht te doen als die ene verlossende onweersbui er eindelijk is. Ik wil barbecuen en salades eten, ik wil tot na middernacht op een terrasje, ik wil blote schouders en zwemmen in het Veerse Meer. Ik wil een flaphoed moeten kopen omdat je de zonnebril nu echt begint te zien, ik wil een hond die niet wil hollen want hij heeft zijn winterjas nog aan, en een kat die te lui is om muizen te vangen. Ik wil muggen doodmeppen en naar hommels kijken. Ik wil taboulet, mojito's en Ambre Solaire.

Het is 1 juni: kan het nou eindelijk eens zomer worden???

samen naar de Hiswa?


“Ga jij nog naar de Hiswa?”
“Als ik getrouwd wil blijven, denk ik dat ik maar een jaartje moet overslaan…”
“Hoezo dat dan? Ze hoeft toch niet mee?”
“Mee? Al jaren niet meer. Maar als ik nog een keer een Hiswa, Boot of wat dan ook bezoek, dan gaat de boot er uit. ‘Het wordt een te dure hobby’ zei ze.”
“Een te dure hobby? Wat is dat nou voor onzin? Dat toegangskaartje en de twee biertjes die je erna drinkt? Nee toch zeker?”
“Nee, dat kaartje, parkeren, dat biertje: dat kan haar allemaal niet zoveel schelen. Al zou ik daarna in Krasnapolsky gaan dineren. Daar doet ze niet moeilijk over. Maar die Hiswa zelf, daar was ze heel duidelijk over. Dat wordt te duur.”
“Die moet je dan toch even uitleggen. Jij hebt al jaren dezelfde boot. Wat is er dan duur aan een keer per jaar naar bootjes kijken op de Hiswa? Of heb jij vorig jaar die dikke Hanse gekocht, bij jou achter in de sloot gelegd en vergeten iets te vertellen?”
“Was het maar waar. Ik koop helemaal niks op die Hiswa, hooguit een boekje, of een trui ofzo. Maar iets groots? Nee. Je gaat kijken, vergelijken, boekjes mee, informeert je, en uiteindelijk koop je het om de hoek. Maar daar gaat het niet om: die boot die we nu hebben is prima, die gaat nog even niet weg. Het is meer dat ik zo hebberig wordt van die Hiswa. En je weet hoe ik ben. ”
“Hallo, ik was vorig jaar bij je hoor. Ik heb je zelfs zien kwijlen bij een speedboot waar je bijna zeevaartschool voor gedaan moet hebben voor je er mee weg mag. Eenmaal op die steiger: je hebt op een bepaald moment de slofjes niet eens meer uitgedaan. Alles wou je zien. Alles. En bij alle boten die je van binnen en van buiten had bekeken, zei je op een bepaald moment wel ‘als ik ooit die grote oversteek ga maken’ of ‘als ik over een paar jaar met pensioen ben..’ maar ik kan het gemist hebben, maar je je bent toch niet daarna naar de dealer gereden om zo’n boot ook daadwerkelijk te kopen? Dus wat zeurt Marijke nou met haar ‘te duur’? Je geeft toch geen cent uit?”
“Ja. Nee. Ja. Weet je wat het is? Ik kom van zo’n Hiswa, en ik weet dat ik helemaal geen andere boot ga kopen hoor. Ik WIL verdorie niet eens een andere boot! Maar op de een of andere manier… Een paar jaar geleden zag je opeens op al die modellen zo’n easy-kick. Wilde ik ook. Heb ik nu ook. Jaar later: vallen van dynema. Jawel hoor, Henk ook. Toen werden de zonnepanelen betaalbaar. Jawel. Led verlichting. Tick. Carbon spiboom: hebbes. Ik kan de verleidingen dus niet weerstaan, dat kost veel te veel geld, daar krijg ik thuis ruzie van, dus nee. Ik Ga Niet Naar De Hiswa.”
“Jammer. Autorai volgende maand zeker ook niet?”
“Gaat gelukkig niet door dit jaar.”

(Dit stuk is verschenen in Zeilen nummer 3-2012. Kijk ook eens op de website van zeilen: www.zeilen.nl, en uiteraard zijn ze ook te vinden op het feestboek: www.facebook.com/zeilenmagazine)






Overhoren

1 januari: het oude jaar opruimen. Ik kwam deze nog tegen:

Overhoren

Daags voor zijn 14e verjaardag kwam puber thuis met een rapport waarin een opsomming was gemaakt van de resultaten die hij voor de veertien vakken die hem in de tweede klas werden aangeboden waren opgesomd. Voor maar liefst negen van deze vakken stond hij een onvoldoende.
’Niet bevorderbaar’ stond er dus ook in het opmerkingenvakje.

Een aantal maanden later had hij het aantal tekortpunten terug weten te brengen tot vijf. Theoretisch gezien was het opeens weer mogelijk om over te gaan. Niet gemakkelijk, er moesten dan dikke voldoendes gehaald worden, maar het kon. Flink leren van zijn kant, en ik bedacht dat ik ook flink zou gaan overhoren. Zijn agendabeheer is niet alles, maar mijn puber schijnt niet de enige te zijn die er last mee heeft om iets op te schrijven. Daar is het ouderportaal van de school voor in het leven geroepen. Door in te loggen op het ouderportaal is het mogelijk datgene te doen waar mijn moeder vroeger de rapportvergadering voor gebruikte: op de hoogte blijven van mijn vorderingen, of beter, het gebrek aan vorderingen. Huiswerk, in te leveren opdrachten, toetsresultaten, niets van het leven van een puber dat zich op school afspeelt hoeft tegenwoordig voor de ouders geheim te blijven. Alles staat op het ouderportaal.
Dus toen ik op een zondagavond op het ouderportaal zag dat er de volgende dag repetitie biologie op de planning stond riep ik puber achter zijn computer vandaan om hem te overhoren.

"Hoeft niet", zei hij.
"Moet wel" zei ik.
"Hoeft echt niet" herhaalde hij, eraan toevoegend dat hij voor het S.O. over het onderwerp een acht gehaald had.
"Was dat een practicum?" vroeg ik nog, en ik begreep niet helemaal waarom hij zo raar keek.

Ik herhaalde nog maar eens dat ik wilde overhoren, haalde het aantal nog in te lopen tekortpunten erbij, keek nog eens op de site en zag dat het maar een krap zesje was wat hij op dit moment stond, en las hem (weer eens) de les over het belang van goede cijfers. Maar hij had de deurkruk alweer in zijn hand, overhoren stond niet op zijn agenda. "Nee terugkomen, zitten, ik ga je overhoren! Of je het nou leuk vindt of niet! Zit! Nu!"
Eén meter vijfenenzeventig slungelig jongenslichaam plofte in een van de stoeltjes aan tafel. Hij probeerde het nog even. Overhoren was echt, heus niet nodig. Maar ik had inmiddels het boek in mijn handen en bladerend vroeg ik hem naar het hoofdstuk van dienst was. Hij besefte de nederlaag en zuchtte "vijf…"

Ik bladerde door naar hoofdstuk vijf. Biologie, het is een rijk geïllustreerd boek. Hoofdstuk vijf begon dan ook met een schematische weergave van de onderdelen van het mannelijk geslachtsorgaan. ‘De voortplanting’ was de titel van het hoofdstuk.
Hadden ze dat er niet even bij kunnen zetten, op dat ouderportaal?

iChanged

Ik ga nu mensen op hun hart trappen…

Ik wil geen Apple.

Voor alle die-hard Apple fans me nu op Twitter beginnen te belagen, zal ik het uitleggen.

Mijn oude trouwe HP’tje gaf opeens de geest. Hoewel, opeens, als de backspaceknop afscheid neemt en zich ook niet meer laat verleiden om terug geplaatst te kunnen worden op het toetsenbord, dan weet je dat het sterfgeval naderende is. Braaf geback-upt op een externe harde schijf dus toen het moment echt daar was bleef het leed te overzien. Hij is vier jaar oud geworden, wat op zichzelf niet heel oud is, maar als je bedenkt dat ik in die vier jaar de helft van alle letters van het toetsenbord af gerammeld had, dan heeft hij ook een intensief leven gehad. Het was zijn tijd, zoals je dan zo mooi kunt zeggen.

Met een iPad in huis die zo’n beetje mijn beste vriendje is, twee vriendinnen met iPhones, een lief met een serieuze iMac en een dochter met een iPod (die je niet moet laten vallen; iBroke) vond ik dat ik de iBook nu ook maar eens serieus in overweging moest nemen. iSchrok van het prijskaartje. Nou had lief nog een iBook ongebruikt staan (iets met een dode batterij, op lithium had zelfs Jobs geen invloed) en die wilde hij me wel even lenen. Je kunt immers pas echt vergelijken als je beide systemen kent.

“Mama, waarom lijkt jouw laptop opeens op een Apple?”

“Dat is een Apple liefje, geleend om te proberen”

“… Chillllll…”


Oke, met het geilgehalte van de iBook zat het dus goed. Nou IS het ook gewoon een mooi ding. Aluminium, veel pixeltjs, alles wat zwart is is mooi glimmend: ‘sleek’ is het woord waar nog steeds geen fatsoenlijke Nederlandse vertaling voor is. Maar iZeeuw, en om nou een meerprijs van 600 euro uit te geven omdat het oog ook wat wil, dat gaat me wat ver. Laten we wel zijn: het is geen tas. Of schoenen. Je moet er mee werken, dus functionaliteit is belangrijker dan uiterlijk.

Ik kan er vervolgens kort over zijn: ik kon er niet aan wennen. iOS of iEZEL, maar ik werd gek van het apparaatje. Alle commando’s in de door mij zo veel gebruikte office programma’s waren net anders, ik wist opeens de sneltoetscombinaties niet meer, en mijn rechtermuisknop deed om de haverklap niets. Als ik iets wilde sluiten zat ik doelloos eerst een half uur in de rechterbovenhoek naar het kruisje te zoeken, voor ik me weer herinnerde dat ik daarvoor links bovenin moest zijn. De trackball die ik gebruik om de RSI binnen de grenzen te houden wilde niet onderin beeld duiken waardoor ik niet bij mijn openstaande documenten kon, en dat een binnenkomende mail aangekondigd wordt met een omhoog wippend icoontje is de eerste drie keer leuk en grappig, maar daarna werd ik boos: mag ik zelf bepalen wanneer ik mijn mail wil lezen, ga af! Die oh zo geroemde stabiliteit viel me eigenlijk ook bar tegen: ‘ force reloaded’ heb ik in een maand tijd toch wel een keer of wat gezien. Ja, hij was sneller met opstarten dan alle andere computers die ik ooit gekend heb. Maar bij mij staat het ding altijd aan, dus hoeveel waarde hecht je daar aan? Na een maand in de war zijn (op het werk heb ik wel een Windows computer dus ik moest steeds schakelen) heb ik het opgegeven, en heb ik weer een HP gekocht. Met Windows. Een ding vind ik jammer. Time Machine. Ik moet weer zelf aan de back-ups denken. iBaal!